Nabeschouwing bij ‘De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis’ deel 2 door J. van Rijckenborgh

BESTEL DE ALCHEMISCHE BRUILOFT VAN CHRISTIAAN ROZENKRUIS DEEL 2

Het derde en laatste deel van de manifesten van de rozenkruisers is ‘De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis’. Het is het gesluierde verhaal van een inwijdingsweg die zeven symbolische dagen duurt. Christiaan Rozenkruis ontvangt de uitnodiging voor een koninklijke bruiloft, waartoe hij zich nog niet waardig weet. Zijn opdracht is te werken aan de alchemische bruiloft van zijn vernieuwde ziel (de bruid) met de goddelijke geest (de bruidegom) en deze weg ook voor zijn medemensen toegankelijk te maken. Deel 2 bevat dag 4, 5, 6, en 7 met de verklaringen van J. van Rijckenborgh. Hieronder volgt de nabeschouwing in drie gedeelten uit deel 2 . J. van Rijckenborgh schreef deze visionaire tekst in 1965. 

I

 

Terugdenkend aan de motieven die ons aanleiding gaven tot de uitgave van dit werk over De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis, voelen wij ons gedrongen tot een nabeschouwing, in de overtuiging daarmee de behandelde stof nog duidelijker in de realiteit van uw momentele leven te plaatsen. Te lang reeds heeft men dit werk van Johann Valentin Andreae (fakkeldrager van het Rozenkruis 8) uitsluitend als een esoterisch studiewerk beschouwd, uitermate interessant om naar de diepere bedoelingen van het verhaal te speuren.

De tijd is echter gekomen het ogenschijnlijk romantisch gegeven, van alle sluiers ontdaan, in het volle daglicht van onze tijd te plaatsen, en tot uitdrukking te brengen hoezeer daarin de weg gewezen wordt om aan de misère, de smarten en de droefenissen van het dialectische leven te ontstijgen. Meer dan ooit heeft de mensheid in onze dag behoefte aan een duidelijke vingerwijzing in deze richting. De nood, de innerlijke nood, die tallozen schier tot wanhoop drijft, en die zelfs de meest vermaterialiseerde mens aangrijpt en tot nadenken stemt, schreeuwt als het ware om een duidelijke belichting van de ene uitkomst. De uitkomst die door de Christus werd aangeduid met de woorden: ‘Tenzij ge wederom geboren wordt uit water en uit geest, zult ge het koninkrijk Gods niet zien, noch binnengaan’ (Johannes 3). En: ‘Vlees en bloed kunnen het koninkrijk niet beërven’ (1 Korinthe 15).

Zij die enigermate ingeleid zijn in de innerlijke kennis van de dingen die achter de verschijnselen als een realiteit het leven der mensheid bepalen, weten dat tot voor betrekkelijk korte tijd zekere hiërarchieën van wezens, die wij gewend zijn aan te duiden als de Maanengelen, het lot der mensheid volgens het plan Gods moesten helpen leiden. Zij moesten erop toezien dat de ontwikkeling van de mensheidsgang, binnen zekere grenzen, en met behoud van de noodzakelijke relatieve vrijheid van beslissing, die de bewustzijnsvorming van de mensheid eiste, tenslotte toch een zekere vooruitgang zou waarborgen en zo mogelijk een catastrofale ontwikkeling van het verstandelijke vermogen van de mens zou helpen voorkomen.

Toen de tijd gekomen was waarin een belangrijk deel van de mensheid het verstandelijke vermogen dusdanig had ontwikkeld dat het in staat was het plan Gods en de weg die tot de vervulling daarvan voert, te begrijpen, was het noodzakelijk geworden de mensheid tot grotere zelfverantwoordelijkheid te roepen. Op dit moment hadden de leidende hiërarchieën gewacht. De geboorte van wat wij historisch als ‘de christelijke jaartelling’ aanduiden, was het begin van de tijd waarin de Maanhiërarchieën zich begonnen terug te trekken, om ruimte te maken voor de nieuwe ontwikkelingsweg, die thans voor de mensheid ontsloten moest worden, namelijk die, welke, onder leiding van de Christus en zijn Hiërarchie, de mens tot de levende zielestaat en de herstelde geestbinding moest voeren.

Zo bevinden wij ons, als mensheid, inderdaad op een machtig keerpunt der tijden, hetgeen de immense verwarring verklaart die zich op alle terreinen van het leven voordoet. Alle oude waarden zijn de mensheid ontvallen of wankelen reeds en ontnemen haar de zekerheid waaraan zij zo’n behoefte heeft.

Sinds het begin van deze eeuw hebben de Maankrachten zich volkomen teruggetrokken en is de mensheid binnengegaan in de grotendeels nog onbewuste staat waarin zelfverwerkelijking de enige uitkomst biedt. De oude normen, tot uitdrukking komend in godsdienstige, ethische en andere voorschriften en wetmatigheden, in de loop der tijden door de Maanhiërarchieën ingegeven, hebben hun greep op de mensheid losgelaten en de mens heeft het gevoel in een vacuüm te staan. Men tast en zoekt wanhopig naar nieuwe zekerheden, nieuwe vormen en normen, waarbinnen men zich enigermate veilig kan voelen. Maar men vindt ze niet. En men zál ze niet vinden zolang men ze buiten zichzelf zoekt.

De mensheid is de periode der zelfverwerkelijking binnengegaan, een tijd waarvan de aanvang reeds werd aangekondigd met de woorden: ‘Het koninkrijk Gods is binnenin u’ en Zoek eerst dit koninkrijk, en al het andere zal u bovendien geworden (Mattheüs 6:33).  Maar nu rijst de klemmende vraag: Is de mensheid daarvoor toebereid? Heeft zij zichzelf voor deze grote, onafwijsbare opgave gereed gemaakt?

Laat ons eens zien. Alle mensen hebben een persoonlijke kijk op het leven, op de mensheid en op de maatschappij. Iedere mens die u kent, of met wie u in aanraking komt, staat in de belichting van uw oordeel. Er is niemand die aan deze oordeelsbrand kan ontkomen. Deze eigenschap tot oordeelvorming, die u bezit, heeft ten gevolge dat ieder mens in zijn eigen bestaanscirkel opgesloten zit en daaruit zonder meer niet verlost zal kunnen worden. Zijn kijk op het leven, op de wereld, op de mensheid, en daardoor zijn gehele gedachten- en handelingsleven, wordt bepaald door zijn momentele, volledig activerende bewustzijnscentrum, de hypofyse. Als mensen elkaar ontmoeten of zien, ontvangen zij wederzijds indrukken van elkaar, die in het bewustzijn worden vastgelegd en een oordeel vormen.

Uw momentele bewustzijnscentrum heeft uw wijze van denken, uw mentaliteit gevormd, alsook uw visie, en voorts alle werkingen in en van het hoofdheiligdom. Zij alle worden zo in een bepaalde toestand gebracht en gehouden. Op deze wijze zijn alle toegangen tot het hoofdheiligdom als het ware toegemetseld. Daarom zijn tevens alle wegen tot juist begrip en een dienovereenkomstig juiste reactie, ten aanzien van een andere, een nieuwe tijd, afgegrendeld. Uw opvoeding, het bloed der voorgeslachten en uw eigen karma heeft u in deze toestand binnengevoerd.

Gezien dit alles kan men zich afvragen: Waar blijft in deze de algemeen zo hoog geprezen verstandsontwikkeling? Heeft zij de psyche van de moderne mens tot volmaaktheid gebracht? Is uw visie op uw medemens, op het leven, op uw wereld, zuiver te noemen, absoluut?

Ach, u weet wel zeker van niet! Daarvoor waren en zijn al uw ervaringen te bitter en te ontgoochelend. Aan de vruchten kent men de boom! En welke vruchten oogst de mensheid? Ja, u hebt hier en daar wel eens met deze of gene een zekere polariteit ontmoet, doch zeker geen volmaaktheid. Trouwens, wat is volmaaktheid? U hebt te dien opzichte geen enkele zekerheid en kent slechts theoretische frasen.

Daar komt dan nog bij dat door het uitvallen van de zo lange tijd regulerend optredende Maankrachten alles en iedereen als door een razend tempo wordt aangegrepen, in een nerveuze jacht naar zekerheden die onvindbaar blijken, omdat vrijwel alle waarden, waarmee de mensen zo vertrouwd waren, uit hun leven, uit hun bezinning, uit hun handen, worden weggebeukt, weggeslagen.

Men kan dus op de oude wijze geen bruggen meer bouwen waarover de ene mens de andere kan bereiken. Bereiken om iets op te bouwen of om te helpen. Idealen kunnen in onze dag geen vaste bodem meer vinden. De gevangenis waarin het ik, door eonenlange tijden heen gevoed en gesterkt, als opgesloten zit, wordt te streng bewaakt door wat wij zouden willen noemen ‘de anti-mens in u’: het collectivum van zelfhandhavende, uit de oerinstincten geaccumuleerde krachten, die zich vanuit de oergrond van het ondermenselijke wezen tegen alle opwaarts strevende krachten, tegen alle verlangen en hunkering naar bevrijding, verzetten. En wat nu?

Ja, u hebt uw idealiteit, uw principe, uw leefregels. U tracht, zo u een strevend mens bent, als mens te leven. En op grond van al die idealen en beginselen meent u iets te zijn. Doch u wordt zich steeds meer bewust voor een muur te staan, tot een grens gevoerd te zijn. Een grens, een muur, waar u niet overheen kunt trekken. Wat moet er nu geschieden, opdat er weer ruimte, weer uitzicht komt in uw leven?

Denk eens aan de ontzaglijk bittere ervaring van Christiaan Rozenkruis, wanneer hij, als resultaat van een welgericht, jarenlang volgehouden strevend leven, eindelijk de voorhoftempel van de bruiloftszaal mag betreden. U herinnert zich dit verhaal. Daar ervaart hij de schrikbarende tegenstelling tussen de uitkomsten van het gewone, geheel op eigenbaat gerichte leven, en wat het pad van heiligmaking van de mens verlangt.

Als u de tweede dag van De alchemische bruiloft doorleest, en u rekenschap geeft van de chaos die C. R. C. in de voorhoftempel aantreft, zult u tevens ontdekken hoezeer de daar beschreven toestanden niet alleen slaan op hetgeen wij in dit werk als aanzichten van het pad van leerlingschap hebben beschreven, maar dat zij eveneens, tot op deze dag, typerend zijn voor alles wat thans rondom ons geschiedt. Het is als het ware uit het directe, actuele leven gegrepen. Deze overeenkomst is trouwens volkomen logisch. Immers, wat als ‘het pad van leerlingschap’ wordt aangeduid, is in feite niets anders dan de ontwikkelingsweg die uiteindelijk de ganse mensheid vroeg of laat zal moeten gaan.

Periodiek wordt de mensheid op haar dwaalwegen van Godswege gecorrigeerd door een kosmische ingreep, om haar verder afglijden of zelfs vernietiging te voorkomen. Op zulk een moment, in zulk een periode bevinden wij ons thans, nu het einde van een esoterisch sterrenjaar weer is gekomen. Daarom is het hierboven bedoelde fragment van De alchemische bruiloft juist nu direct op onze levens van toepassing.

De mensheid van nu is zeker niet misdadiger dan voorheen, of meer verziekt, of meer verminkt. Integendeel, de mens is veel gecultiveerder dan voorheen en veel intelligenter. Maar, wij zeiden het reeds, de mensheid is tot een zekere grens gevoerd, de grens van het driedimensionaal bereikbare. En achter deze grens, over deze grens heen, is alles volkomen anders. De primaire ontwikkelingsgang van de mens is in de thans ten einde spoedende periode geëindigd. En de mensheid wordt op zichzelf en haar eigen verantwoordelijkheid teruggewezen. Daarom heeft zij het zo moeilijk. Daarom is het momenteel zo gruwelijk in deze wereld. De last waaronder de wereld zucht en die in velerlei opzichten nauwelijks meer te dragen is, zal alleen dan kunnen worden verlicht als de mens deze verantwoordelijkheid en de aard ervan volkomen gaat doorzien en aanvaarden.

Ten gevolge van de verwarring, uit onbegrip ontstaan, heerst er alom in de wereld, op tal van gebieden, een psychische ontreddering als nimmer tevoren. Men zoekt in allerlei richtingen naar uitkomst. Verblind door wat men een welstandsgolf noemt, die over de cultuurlanden gestreken is, tracht men allereerst materiële zekerheid te verkrijgen. Voorts speurt men naar wetenschappelijke expansie, en wil men, met behulp van de wetenschap, in de eerste plaats zichzelf uit de impasse werken. De wetenschappelijk hypothesen, waarvan vele iedere bezinning op het menselijk toelaatbare missen en negeren, hopen zich op als een berg, of als een muur, waarachter men zich tracht te verschuilen, in de benauwenis die in feite, bewust of onbewust, achter dit alles drijft. De mens maakt een drukte van belang, ontwikkelt een onvoorstelbaar grote energie en werkdrift, en velen vleien zich met de hoop dat de chaos van het moment de geboorteschoot is van een groots en heerlijk begin, waarin de mens, met zijn machtige technische bekwaamheden, een geheel nieuwe wereld van ongekende beschavingshoogten zal bouwen.

In wezen echter is de situatie van de mensheid veel hachelijker dan zij ooit tevoren was. Ondanks alle wetenschappelijke prestaties is en wordt de mensheid gewogen en is zij te licht bevonden. Men versta dit goed: de mensheid weegt zichzelf, zij overschat zichzelf, in de mening dat wat zij uiterlijk schept, of méént te scheppen, uiteindelijk maatgevend zal zijn voor haar innerlijke beoordeling. Want alleen deze laatste telt bij het oordeel dat over de mensheid komende is.

Denken wij nogmaals terug aan de situatie die C. R. C. in de voorhoftempel aantrof bij de grote menigte die in eigengereidheid en zelfoverschatting meende gereed te zijn om een hogere levensstaat binnen te gaan. Schaamtelozer dan ooit staat de mensheid, evenals daar, in de naaktheid van haar bezoedeld kleed.

Daarom vragen wij opnieuw: Waar gaan wij heen, wij, de mensheid? Op welk kompas zal zij in de naaste toekomst dienen te varen? Zal zij nog intijds tot rede komen? Zal zij het ene pad dat uitkomst biedt nog waarlijk vinden? Of zal wellicht de universele Broederschap Christi, de Universele Gnosis zelf, moeten ingrijpen?

Als wij ons op deze vragen bezinnen, bevinden wij al spoedig dat er weinig of geen basis is om aan te vangen, daar de psyche van vrijwel iedere mens van tijd tot tijd, ja, wij mogen wel zeggen bijna dagelijks, gestoord en heftig bewogen is. En u weet het: wat de een goed vindt en zou willen uitvoeren, wordt door de ander afgewezen en bestreden. De strijd, alsook de intelligentie waarmee hij gevoerd wordt, neemt gestaag toe. Zo heeft men reeds lang ontdekt dat, naarmate de mens meer zijn verstand scherpt, hij in dezelfde mate gevaarlijker wordt. Allen staan, in het groot en in het klein, vijandig tegenover elkaar, onder welke mantel men dit vanwege de eisen der cultuur ook tracht te verbloemen. Mystiek erkent men wel het woord ‘heb elkaar lief’, maar praktisch haalt men daarover de schouders op.

Uit het wezen der ik-centraliteit, die de grondslag vormt van de gruwelijke ontwikkeling die ons wereldbeeld toont, zijn alle mensen vijanden van elkaar. En vijanden zijn gewend elkaar te bestrijden en naar steeds geraffineerder middelen te zoeken om elkaar te overheersen en zo mogelijk onschadelijk te maken. Men beschikt in onze wereld reeds over de middelen om gehele bevolkingen niet te doden want dat zou niet humaan zijn doch om ze psychisch te neutraliseren. En dat zou het einde zijn.

Het gaat er dus om onszelf af te vragen of en hoe wij de mensheid willen en kunnen dienen, en waarmee. Ook wij, als jonge Gnosis van het moderne Rozenkruis, trachten een weg te gaan om de psychische belemmeringen van het moment radicaal te doorbreken, zó , dat het zielecentrum, het bewustzijnscentrum in het hoofdheiligdom, ononderbroken gevuld kan worden met goddelijke krachten.

Dát is het pad van het leerlingschap. Dan wordt het ademcentrum door levenschenkende krachten geactiveerd, en kan de mens, via deze reddingsprocedure, uitgaan tot waarlijk bevrijdende levensdaad. Hij kan dan overgaan tot ontstijging aan dit bestaansveld, dat onderworpen is aan een voortdurende doding. Deze weg wénsen wij te gaan en móeten wij gaan in dienstbaarheid aan allen die willen, naar het grote gebod van de Heer van alle leven.

Wij zijn als mensheid neergegaan tot het nadir van verstoffelijking. Nu dit uiterste dieptepunt bereikt is, nu wij aan de grens daarvan gekomen zijn, worden wij gesteld voor een nieuwe mensheidsontwikkeling en moeten wij het pad der ontstijging gaan. Een weg over de grens heen, dáárheen waar alles anders is, en waar niets, noch in het maatschappelijke leven, noch in ons eigen bestaan, vergeleken kan worden met het oude.

Vele middelen waarvan men zich vroeger bediende, zijn thans onbruikbaar gemaakt of onbruikbaar geworden. Alle oude mystieke middelen bijvoorbeeld zijn vrijwel krachteloos geworden. In dit opzicht is God, zoals men dat tegenwoordig wel noemt, waarlijk ‘dood’ gemaakt.

Vroeger sprak men ook van de drie-eenheid die door godsdienst, kunst en wetenschap werd gevormd, die als basiselementen onzer beschaving golden. Doch ook deze drie-eenheid is nagenoeg verdwenen. Ook deze drie bestrijden elkaar op leven en dood. Of zijn ze misschien hier en daar bondgenoten van elkaar geworden? En wij vragen opnieuw: hoe zullen wij de obstakels doorbreken die ons beletten de grensmuur waarvoor wij staan te passeren? Waar is het suprème geneesmiddel voor onze kwalen?

II

 

U zult het ongetwijfeld met ons eens zijn dat de feitelijke toestand van wereld en mensheid een weinig hartverheffend beeld te zien geeft. Men zou er de moed bij verliezen. Er zijn weinig werkelijk gave, ongeschonden mensen in deze wereld en deze weinigen vinden bij de massa geen gehoor, geen geloof. Zij kúnnen ook geen geloof vinden, omdat de psychische toestand van de mensheid steeds meer achteruit gaat, en de greep van de anti-mens daardoor steeds krachtiger wordt. Zo is de mensheid dan gekomen aan het einde van haar reis naar het nadir van stoffelijkheid. Zoals wij reeds zeiden zijn kunst, wetenschap en godsdienst, zoals wij ze tot nog toe gekend hebben, als hulp- en uitzichtbiedende bronnen van onwaarde geworden. Welk perspectief heeft de mensheid dan?

Onmachtig, zonder hoop staat zij aan de grens, geroepen tot zelfverwerkelijking. Een opgave waartoe zij zich op geen enkele wijze heeft voorbereid. Daarom vragen wij opnieuw: Welk perspectief heeft de mens? Waar is het suprème middel om de grensobstakels buiten de mens en in de mens te doorbreken?

Thans, zo antwoordt de jonge gnostieke Broederschap, in deze toestand van machteloosheid der mensheid, is de gelegenheid geboren voor de zevenvoudige Wereldbroederschap Christi tot het nemen van een machtig wereldinitiatief. Een initiatief, zo ingrijpend, zo alles overweldigend, dat het gehele wereldbestel daardoor veranderen zal.

Overzien wij nog even de kardinale feiten. In de eerste plaats hebben, zoals wij reeds zeiden, de Maankrachten zich geheel teruggetrokken. Deze krachten, de Maanengelen, behoren tot een levensgolf die ons weliswaar in bepaalde opzichten vooruit is gegaan op het pad van ontwikkeling, doch die niet behoortmtot de menselijke levensgolf. Zij hadden ten aanzien van de mensheid tot taak haar te helpen bij het gaan tot het nadir van stoffelijkheid, haar bij te staan tot de grens van de volstrekte indaling bereikt zou zijn. Dit is thans een feit.

Daarom dient de zevenvoudige Wereldbroederschap, staande in dienst van de Christushiërarchie, in Zijn naam en opdracht het initiatief tot leiding der mensheid op zich te nemen. Dat de overgangstijd daartoe aanvankelijk een grote ontreddering, een grote dreigende ramp te zien zou geven, hebben wij u reeds uiteengezet. Het is duidelijk, dat wanneer een mens gesteld wordt voor een weg van zelfverwerkelijking, in de zin van een werkelijke ontstijging aan de stof, in de zin van een reis terug naar het oorspronkelijke Vaderland, hij daartoe in staat dient te zijn. En zo er remmen mochten zijn, dan dienen deze te worden verwijderd.

Dat er remmen zijn, en hoe talloos vele, dat weten wij maar al te goed. Dat er talloze moeilijkheden zijn, wij ervaren ze. En dat zich in de chaos van het moment, in deze overgangstijd naar het onafwijsbaar zich aandienende, psychische ontredderingen voordoen bij tallozen, ook dat weten wij. En eveneens dat met de krachten en de mogelijkheden die de mensheid tot nog toe heeft aangewend en nog steeds bezig is aan te wenden, er geen enkele hoop op uitkomst is, geen enkel uitzicht op genezing van alle kwalen waaraan zij te gronde dreigt te gaan. Dat dient de mensheid nu te leren, uit bittere ondervinding, aan de hand van striemende feiten. Het woord: ‘Wie niet horen wil, moet voelen’, slaat niet slechts op de opvoeding van het kind of de enkeling, maar is ook een wet in de ontwikkelingsgang van de mensheid.

Daarom willen de teisteringen aan de grens, de teisteringen van het moment waarin wij leven, u diep doen verstaan dat én de gehele wereldorde, én de gehele mensheidsorde die de mensheid zich geschapen heeft, ondeugdelijk zijn en het gevolg van een totaal foutieve ontwikkelingsgang, in strijd met de kosmische orde die ze in dit alles genegeerd heeft. Maatschappelijk, economisch, wetenschappelijk, religieus, kortom op alle gebieden van ontwikkeling en instandhouding van onze samenleving, is de mensheid totaal vastgelopen of is bezig dat te doen. De psychische ellende van het moment houdt daar gelijke tred mee, zoals vanzelf spreekt. Zulk een eerstehandse ervaring, waarin het zelfoordeel over het collectief geschapene is opgeroepen, heeft de mensheid, naar ons weten, nog nimmer doorgemaakt.

Wat deze ervaring u te zeggen heeft, wat zij u wil leren, dient u in vol bewustzijn te doorschouwen, de pijn ervan te gevoelen en deze diep te ondergaan. En als dan de onvermijdelijke teistering doorleden is, als u met de innerlijke verwerking daarvan druk doende is, en het hoe en waarom van dit alles duidelijk in uw bewustzijn begint te schemeren, zult u tot de ontdekking komen dat geen communistische, socialistische, democratische, fascistische, natuurreligieuze of atheïstische levensvorm nog enige zin heeft. En voorts dat niets enige voortgang zal kunnen hebben op basis van de leugenpraktijken en de talloze spitsvondigheden die in het verkeer van mensen en volkeren gemeengoed geworden zijn.

En dan zal de zevenvoudige Wereldbroederschap het grote initiatief nemen, teneinde de wereldgang, die vastgelopen is, te vernieuwen en de gevangen en door en door verziekte mensheid te bevrijden. Hoe? Door welk initiatief? Zeker niet door middel van een internationale oproep of actie. Evenmin door middel van een groots opgezette persactiviteit of door andere publiciteitsmiddelen. Zeker niet door het openen hier of daar van bepaalde tempels, hoewel, zoals begrijpelijk is, vele tempels hun waarde zullen blijven behouden.

Neen, zij zal dat doen door middel van een initiatief dat gelijktijdig door de gehele mensheid, met inbegrip van de allerprimitiefsten en zelfs de meest misdadigen of verharden, zal worden ervaren. Een initiatief dus dat door niemand zal kunnen worden ontkend of geloochend. Het zal een manifestatie zijn die, op zijn minst genomen, vierentwintig uur duren zal, in een van de ijlste der stoffelijke gebieden, namelijk in de luchtsfeer, en wel zo dat ieders oog het zal aanschouwen, ieders oor het zal horen en alle zintuigen die de mens bezit erop zullen reageren. Een manifestatie dus van de zevenvoudige Wereldbroederschap voor alle mensen en voor alle rassen. Alle Broederschappen die deel hebben aan de Universele Keten, zullen eraan meewerken. Deze manifestatie zal gepaard gaan met een intense krachtuitstorting van elektromagnetische radiaties, die het gehele menselijke stelsel zullen aangrijpen en in iedere mens een diepe reactie zullen teweegbrengen. Een reactie, die onder andere gedurende zekere tijd in het hoofdheiligdom van iedere mens een bepaalde orde zal bewerkstelligen, die gelijkenis zal vertonen met wat wij noemen de geest-zielestaat.

Dientengevolge zullen de mensen in die tijd beschikken over enige eerstehands kennis en over werkzaamheid van het derde oog. De mensheid zal daardoor tijdelijk visionair worden en als het ware het plan Gods voor wereld en mensheid doorschouwen. Zij zal haar werkelijke taak en levensopdracht gaan begrijpen, alsmede wat er zal geschieden indien zij weigert daarin te treden.

Het zal nu niet moeilijk zijn u enig idee te vormen van de reactie van het overgrote deel der mensheid op deze manifestatie van de Universele Broederschap. De mensheid zal, in de stralingskracht van deze tijdelijke verlichting van het gehele menselijke wezen, tot zeer radicale besluiten dienen te komen. De betrokken manifestatie zal, zo nodig, in totaal driemaal plaatsvinden, teneinde zo de zekerheid te verkrijgen dat zelfs de primitiefsten zullen kunnen begrijpen wat zij te doen en wat zij te laten hebben.

Zo zal de deur naar het nieuwe leven wijd geopend worden. U zult misschien inzien hoe op deze wijze niet slechts de psyche van de enkele mens zoveel het nog mogelijk is zal worden hersteld, doch dat in en door deze ervaring en deze machtige lichtkrachtwerkingen een ontzaglijke reiniging bewerkstelligd zal worden in het wezen van alle mensen, in alle sferen van leven.

Uit dit alles zal een maatschappelijke omwenteling voortvloeien, zo groots en indrukwekkend, dat letterlijk niets van het momenteel bestaande ermee vergeleken zal kunnen worden. De gang van de gehele mensheid zal in zeven nieuwe banen van ontwikkeling worden geleid. Dit zal betrekking hebben op alle rassen en er zal geen terrein zijn waarop de grote verandering niet van toepassing zal zijn.

De geestziel zal kunnen indalen, ten gevolge waarvan de mens dagelijks zal kunnen groeien in onderscheidingsvermogen aangaande goed en kwaad, dat wil zeggen ter zake van wat in overeenstemming is met het plan Gods en wat niet. Alle beunhazerij ter zake van de religies zal volkomen wegvallen. De theologie als wetenschap zal totaal verdwijnen en onnodig te zeggen dat er voorts op tal van andere terreinen van wetenschap heel wat zal veranderen.

Tracht u zich dit eens voor te stellen, bijvoorbeeld op het terrein van de moraal, op het gebied van de doelstellingen van de natuurwetenschappen, op het gebied van het grote-stadsleven en alles wat daarmee samenhangt. Er zal, kortom, een geweldige wereldomwenteling plaatsvinden, die nauwelijks enig plekje op aarde zal overslaan.
Wij spreken over dit alles met de bedoeling u erop voor te bereiden, met zo min mogelijk ophef. Daarom zeiden wij dat het een proces zal zijn waarin de gehele mensheid zal moeten groeien, waarin de gehele mensheid zal moeten worden opgevoed. De gehele maatschappij van thans is door en door verziekt. Zij is in alle opzichten aangegrepen door de kanker van leugen, bedrog en onwaarachtigheid en aangetast door de gevaarlijke ziekte van veelsoortige speculaties.

Welk een intense zegen zal het gevolg zijn als de gehele mensheid in psychische genezingsprocessen zal worden binnengevoerd. Lang reeds staan wij te worstelen aan de ons gestelde grenzen, om doortocht te verlangen. Wel, die doortocht zál worden verleend. De gehele mensheid zal worden binnengevoerd in een geheel andere levensstaat. En de gevolgen laten zich denken. Welk een enorme arbeid van hervorming zal er in ieder land en voor ieder volk moeten worden verricht! Want allen zullen worden geplaatst voor de harmonische en procesmatige verwezenlijking van het grote plan Gods met wereld en mensheid, in en door zelfverwerkelijking.

De moderne Geestesschool zal in die komende tijd ten volle de plaats gaan bewijzen die zij als dienares van de Broederschap inneemt. De Broederschap van het Rozenkruis zal vanuit haar grandioze tehuis Sancti Spiritus, haar zevenvoudige Levende Lichaam, niets toestaan wat niet in overeenstemming is met het grote plan.

Op de geschetste wijze zal de mensheid tot een geheel nieuwe cultuurgang komen in een waarlijk opwaartse lijn. Alle psychische waan, zoals De alchemische bruiloft die in de Tweede Dag schetst, van ingebeelde grootheid en zelfverheffing, zal doorbroken worden, opdat ieder zo mogelijk tot bezinning zal komen. Velen zullen daardoor van hun voetstuk vallen, maar eveneens zullen velen eerst dan tot de ontdekking komen hoezeer zij in hun levensgang begenadigd werden.

Zo zullen waarheid en werkelijkheid tot ontwikkeling komen. De sluiers van de schijn zullen van de mens afvallen. Zo zullen processen tot ontwikkeling komen die zonder uitzondering te maken hebben met harmonische, structurele veranderingen in het wezen van de mens. Als alle mensen psychisch binnen nieuwe banen worden geleid en het in de psyche van de mens begint te dagen, zal geleidelijk ook het raslichaam ijler worden en zullen de zwaartekrachtwerkingen mede veranderen, met enorme gevolgen.

De moderne Geestesschool heeft in haar inwendige structuur bepaalde veranderingen aangebracht om zich met haar leerlingen voor te bereiden op deze geheel nieuwe toekomst. Als School van het Gouden Rozenkruis zullen wij uiteraard in volle overgave met de grote Wereldbroederschap samenwerken, daar van ons mag worden verwacht dat wij in al het komende in een waarlijk dienende liefde zullen staan.

Daarom, broeders en zusters, gij allen die deze oproep naar haar wezen kunt verstaan, maak u gereed voor zover u er reeds nu toe in staat bent. Wijd u volkomen aan de grote mensheidsarbeid, die vele dienaren en dienaressen van node heeft.

III

 

Wij richten ons thans tot hen die zich bewust voorbereiden op de nabije toekomst, in een bezinning op al de komende gebeurtenissen. Tot hen die een persoonlijkheid bezitten, levende vanuit een bewustzijn dat gericht is op het grootste en heerlijke doel dat aan onze microkosmos ten grondslag ligt, teneinde het laatste overblijfsel van de oorspronkelijke mens, dat als een onvergankelijk zaad in het midden van onze microkosmos verzonken ligt, uit zijn doodsslaap te wekken en tot nieuw leven te stuwen.

Dit onvergankelijke zaad, in het midden van de microkosmos, dat de Bijbel doet zeggen: ‘Het koninkrijk Gods is binnenin u’, ja, dat God zelf in ons verzonken ligt, dát is wel het voornaamste wat de huidige mens vergeten heeft. De tegenwoordige mens heeft door eeuwenlange onjuiste voorlichting vergeten dat het koninkrijk Gods niet buiten hemzelf moet worden gezocht. En, het ligt voor de hand: als men buiten zoekt wat van binnen aanwezig is, dan zal men het nimmer vinden en dwaalt men steeds verder af. En men valt daardoor des te spoediger in de macht van de anti-mens-in-zichzelf.

Het laatste overblijfsel van de oorspronkelijke mens, het Christusbeginsel in de mens, duiden wij aan als ‘de roos des harten’. Als de persoonlijkheid in de microkosmos geboren is, correspondeert de roos des harten met het hart van de persoonlijkheid, en zal zich, zo de daartoe noodzakelijke voorwaarden geschapen worden, daarin kunnen openbaren. De roos maakt dus geen deel uit van de persoonlijkheid, en kan daarin organisch niet worden aangeduid. De roos is een organisch deel van de microkosmos, en zij wordt steeds ter beschikking gesteld van die persoonlijkheid, die bereid is zijn hoge, zijn ene ware roeping te aanvaarden en daarvan in handel en wandel de bewijzen te leveren. Dan wordt, zoals wij zeggen, de roos aan het kruis gehecht, namelijk aan het kruis der persoonlijkheid. De dynamisch juist gerichte persoonlijkheid ontvangt dan de zaadkorrel der vernieuwing in het hartheiligdom en is daardoor een werkelijke rozenkruiser geworden.

Als een mens het besluit neemt zichzelf en zijn leven in dienst te stellen van zijn hoge roeping van Godswege, en hij het pad daartoe in ootmoed nadert, komt hij in aanraking met het stralingsveld van de universele Gnosis. Dit is een verheven stralingsveld van kosmische aard, waarin het goddelijke zaad, het laatste overblijfsel, kan gedijen en zich kan ontwikkelen. Dit onvergankelijke zaad kan onmogelijk ontkiemen in het veld der verworden dialectiek. De mens die in dat veld blijft staan, zich daarmee blijft bezighouden en daarop al zijn aandacht richt, gaat onder, langs de weg van alle vlees. Zulk een mens zal nimmer rozenkruiser kunnen heten; hij zal nimmer, met C.R.C., een Broeder van het Rode Rozenkruis kunnen zijn.

Allen die het ware pad van vrijmaking willen bewandelen, hebben het licht van de gnostieke zon van node, het zonlicht, de zonnekracht die uit het hart van onze planeet straalt. En dat, terwijl de mens die het goddelijke zaad tot het licht moet dragen, de mens die de roos gedurende lange tijd moet dienen en helpen, naar de persoonlijkheid geheel en al van de dialectische natuur is. De mens tot wie gesproken wordt: ‘Vlees en bloed kunnen het koninkrijk Gods niet beërven, en dus ook niet binnengaan’, moet dus het grote werk aanvangen en voleindigen.

Dit is toch wel een zeer wonderlijke situatie! Zo wonderlijk, dat wie de betekenis ervan ten volle doorpeilt, van blijdschap en dankbaarheid als het ware wordt doorsidderd. De mens die de roos aan het kruis hecht, verbindt daardoor tijdelijk de dialectiek en de Gnosis, de tijdelijkheid en de eeuwigheid. Dit is, zoals vanzelf spreekt, een natuurwetenschappelijke onmogelijkheid, een toestand die niet houdbaar is. Daarom zal de dialectische persoonlijkheid deze onmogelijkheid opheffen, door zich volkomen dienstbaar te maken aan de roos des harten, aan het onvergankelijke zaad in hem. Zo volkomen dienstbaar, dat hij die daartoe overgaat, zich toebereidt de alchemische dood der zelfovergave te sterven. Hij vervult het woord: ‘Wie zijn leven zal willen verliezen om mijnentwil, die zal het leven vinden.’ De mens die zich aldus in volkomen zelfovergave aan de roos wijdt, gaat binnen in de transfiguratie. Het is een welbewust, existentieel ondergaan in een volstrekt endura. Het is een proces dat vele Broederschappen ons in het verleden hebben voorgeleefd.

De dialectische mens die zich zo gaat wijden aan de onsterfelijke roos des harten, weet dat hij een stralingsveld binnentreedt dat het zijne niet is. Hij weet dat hij er existentieel volkomen door zal worden verbrand. Hij wijdt zich dus aan het vuur, de goddelijke louteringsbrand. Zie toch klaar de machtige zin in, de diepe betekenis, van alle verhalen uit het verleden die daarover tot ons kwamen! Want dát is juist het wonder, dat, zo wij ons gehele sterfelijke wezen aan het goddelijke vuur wijden, dit vuur ons ten Leven is.
Een dialectische mens die aan zijn natuur gelijk blijft, gaat de weg van de dood. En eenmaal wordt er niets meer van hem gevonden.

Doch wie het pad van het endura gaat, in een volkomen zelfoffer, in volkomen toewijding aan de oorspronkelijke mens in hem, wordt door het vuur van zijn kruisgang alchemisch opgenomen en opgelost in de nieuwe mens, die uit het onvergankelijke zaad oprijst. Hij staat dus op in de Andere. In en aan hem voltrekt zich een waarlijk alchemische bruiloft, zoals die door C.R.C. wordt beschreven. Zijn ondergang in vrijwilligheid, zijn endura, is dus een dood ten leven, een opstanding in de onvergankelijkheid. In tegenstelling tot de dialectische dood, die onveranderlijk de volkomen vernietiging der natuur brengt.

Wie en wat is de nieuwe mens, die uit het onvergankelijke zaad oprijst? Wie en wat is de nieuwe mens, die u van over de grens die u bereikt hebt, roept en wenkt? Het is de zielemens, de eeuwigheidsganger, de naar de ziel wedergeborene. De dialectische mens die het pad van het endura gaat, is de laatste mens die vanuit zulk een microkosmos het dodenrijk toevalt. Zijn naam wordt in het Evangelie aangeduid als Johannes. De zielemens is de eerste, de Jezusmens, van het eeuwigheidsrijk.

De dialectische mens die de dood der zelfofferande voor het onvergankelijke zaad in hem wil sterven, de mens dus die waarlijk een rozenkruiser wil zijn, gaat, via de alchemische verandering, door de poorten van de vrijwillige dood de eeuwigheid binnen. U weet dat er over dit onderwerp heel wat te zeggen valt en dat de kandidaat, alvorens deze heilsweg van het sterven in Jezus de Heer te kunnen bewandelen, heel wat dient te weten en heel wat dient te ondergaan en de kruisweg der rozen, een grandioze lijdensweg, heeft te bewandelen. Doch, broeder, zuster, versaag niet, houd nimmer op te trachten. U zult anders tot tal van vergissingen komen en u weet dan nooit of u sterk genoeg zult zijn. En wie niét weet, en zich dus ook niet aan de wetten van het pad kan wijden, zal door tal van dwaallichten telkens opnieuw geslachtofferd worden en zelfs het gevaar lopen voor het pad geheel verloren te gaan. Denk hier aan het Bijbelwoord: ‘Mijn volk gaat verloren omdat het geen kennis heeft.’

Daarom dient de kandidaat die zich geheel aan het pad van de roos, het pad van bevrijdende dienstbaarheid wil wijden, een zevenvoudige weg te bewandelen, die in De alchemische bruiloft van C. R. C. nauwkeurig wordt beschreven. Het is het pad van wedergeboorte, het opnieuw geboren worden van de oorspronkelijke mens, een pad dat altijd ook door een doodsvallei voert. Bij wedergeboorte moet er iets sterven om iets anders edeler, verhevener, subliemer de mogelijkheid tot openbaring te schenken. Daarom wordt dit pad zowel door diepe vreugde en nieuwe innerlijke ontplooiing gekenmerkt als tot op zekere hoogte en gedurende enige tijd door smart en lijden. Een lijden evenwel van een louteringsbrand die al het onheilige en onedele tenietdoet, om het vlekkeloze, reine, onvergankelijke, plaats te kunnen bereiden.

Al wie de nood en het lijden van de mensheid in deze tijden aanschouwt en de roep die van de Gnosis uitgaat tot in de diepe diepten van zijn hart ervaart, zal niet anders kunnen doen dan zich vastbesloten tot dit zevenvoudige pad van verheffing en van dienstbaarheid toekeren.

Tallozen in de wereld heeft men van kindsbeen aan geleerd het koninkrijk Gods, het rijk van Christus, buiten zichzelf te zoeken, ten gevolge waarvan alle waarden, alle krachten die in hen zijn om het koninkrijk in hen te bevestigen, uit hen wegvloeien. Zo projecteren zij dat wat ín hen bevestigd zou moeten worden als een verwrongen spiegelbeeld naar buiten, een beeld dat geen werkelijkheid, geen leven heeft, maar een product is van de waan.

Tot hen allen roept het licht, roept de moderne Geestesschool van de Gnosis: Keer u om op uw levenspad! Ook u kunt het goddelijke kernbeginsel in u, de roos des harten, in uw hartheiligdom belevendigen. Ook in u zal dan het magische bloed der vernieuwing het wonder der wedergeboorte kunnen bewerkstelligen.

Het pad dat wij u wijzen, moet u niet zoeken buiten u daar waar u slechts waan en nevelflarden zult vinden doch keer in tot het koninkrijk Gods dat binnenin u is. Ontsluit deze goddelijke wereld en maak de onsterfelijke mens, de zielemens in uw hart, vrij, door uw volledige alchemische offer. U bezit, met de roos, de sleutel daartoe.

Mogen wij allen de grote wereldrevolte die nadert, tegemoet treden als de morgenstond van het bereiken!

INHOUDSOPGAVE DEEL 2

Woord vooraf

Chymische Hochzeit Christiani Rosencreutz, anno 1459, deel II

  • Vierde dag
  • Vijfde dag
  • Zesde dag
  • Zevende dag

Esoterische analyse van de Chymische Hochzeit, deel II

  1. De oerbron der mysteriën
  2. De nieuwe gewaden van Christiaan Rozenkruis en de versierselen van het Gulden Vlies
  3. De koninklijke wenteltrap naar de bruiloftszaal
  4. Het levensveld van de Zonnemakrokosmos
  5. De zes koninklijke figuren
  6. Het altaar en de paramenten in de bruiloftszaal
  7. De bewegende beelden
  8. Pages en jonkvrouwen
  9. Het toneelspel in het Zonnehuis (I)
  10. Het toneelspel in het Zonnehuis (II)
  11. Het toneel spel in het Zonnehuis(III)
  12. De onthoofding van de zes koninklijke personen
  13. De zeven schepen en deze zeven vlammen
  14. Vrouwe Venus en haar mysterie
  15. Het altaar bij het graf van Venus
  16. De begrafenis van de ledige doodkisten
  17. De tocht der zeven schepen naar de toren van Olympus
  18. De nimfen en de koninklijke parel
  19. De toren van Olympus
  20. De arbeid in de toren: de eerste verdieping
  21. Ladders, touwen, vleugels
  22. De eerste en de tweede dood
  23. De tweede verdieping
  24. De vrijmaking van het zielegewaad
  25. De opstanding van de nieuwe mens
  26. Christiaan Rozenkruis: prototype der zelfverwerkelijking
  27. De zevende scheppingsdag

Nabeschouwing
Aantekeningen
Woordverklaring

BESTEL DE ALCHEMISCHE BRUILOFT VAN CHRISTIAAN ROZENKRUIS DEEL 2

LEES OVER DE MANIFESTEN VAN DE ROZENKRUISERS EN TOELICHTINGEN DAAROP