Symboliek van de eeuwige roos in – artikel uit het tijdschrift Pentagram

BESTEL PENTAGRAM 2018 NUMMER 2

Dit artikel uit het tijdschrift Pentagram (2018 nummer 2) is een eerbetoon aan de roos, universeel symbool van onbaatzuchtige liefde. Door de tijden heen het hoogste ideaal van de rozenkruiser, het brandpunt van zijn contemplatie. We verkennen het symbool aan de hand van haar schoonheid en inspiratie, die de dichters der eeuwen hun mooiste zangen hebben ontlokt. Wat is het, dat haar dringt om de meest tere schoonheid, de zijdezachte structuur van haar blaadjes naar buiten te wenden, en een sprankje hoop in mensenharten te wekken? En eenmaal gewekt, waarom dan haar doorns, die het praktisch ondoenlijk maken haar schoonheid te bereiken? 

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke (1865-1926) maakte elke middag een ommetje met een vriendin in de omgeving van zijn woning, destijds in Parijs. Daarbij kwamen ze iedere keer op dezelfde plek langs een bedelares. Rilkes vriendin gaf altijd wat geld in de magere uitgestoken hand, maar Rilke had nooit geld bij zich.

Op zekere dag zei hij: ‘We zouden haar hart ook eens iets moeten schenken en niet alleen maar haar hand.’ Enkele dagen later bracht hij een prachtige rode roos mee en legde die in de hand van de bedelares; deze stond woordeloos op, kuste Rilke’s hand en ging weg. Pas een week later was ze weer op haar gewoonlijke plek. Rilke’s begeleidster vroeg hem:‘Waarvan zou ze al die tijd geleefd hebben?’ Na enig nadenken antwoordde Rilke: ‘Van de roos.’

De ‘koningin der bloemen’ kan inderdaad een bijzondere uitwerking op een mens hebben. Van oudsher hebben rozen de mensheid bekoord, gefascineerd en geïnspireerd: haar wonderschone vorm, haar kleuren, haar heerlijke geuren; zelfs een blind mens houdt van deze bloem om haar geur. Onbewust of bewust is ze het zinnebeeld van wat ons in het diepst van ons hart beweegt. 

Karakteristiek voor de roos is haar bladvorm: haar bloembladen spiralen rond een gemeenschappelijke kern. Als symbool van zuiverheid, van liefde, van hoge spiritualiteit vindt men de roos bij musici, dichters, beeldend kunstenaars, bij mystici, in sommige sprookjes, maar bovenal bij vele gnostieke groeperingen; en sedert het gebeuren op Golgotha ook vaak in samenhang met het kruis. 

Reeds bij de manicheeën treft men de curieuze levensboomgraven aan, in kruisvorm met een roosje in het midden; Mani sprak van een Lichtkruis en in Ierland staat een klooster met de naam Clonmacnoise, dat een oudchristelijk centrum voor spiritualiteit was, gesticht in het jaar 546 door een zekere Ciarán; en tegen de muur van dat klooster staat een stenen pilaar uitgehakt, met behalve het kruis ook reeds de roos in het midden. En in de canon van de huidige Keltisch-Ierse muziek, die nog put uit een spiritueel verleden, tref je een lied dat heet: ‘Rosa Mystica.’ 

Een treffend symbool is ook de woestijnroos: ze kan jaren gesloten blijven, ogenschijnlijk levenloos, maar niet zodra komt het hemelwater op haar terecht of ze bloeit prachtig open. Het is de roos van Jericho en ze staat symbool voor de wederopstanding en eeuwig leven.

Muziek van de roos 

In de wereld van de muziek komt de roos herhaaldelijk voor. De vrijmetselaarsopera Die Zauberflöte, waarvan de tekst door Schikaneder is geschreven, is door W. A. Mozart op muziek gezet. Tjeu van den Berk toont aan dat deze hele opera qua tekst geïnspireerd is door de Chymische Hochzeit CRC. Hij zegt: Als Pamina Tamino ontmoet, vlak voor de grote vuur- en waterproef, en ze elkaar voor het eerst mogen omhelzen, zegt Pamina over de hele weg die ze moeten gaan afleggen: 

‘Ich werde aller Orten
an deiner Seite sein.
Ich selbsten führe dich,
die Liebe leitet mich!
Sie mag denWeg mit Rosen streun, 

weil Rosen stets bei Dornen sein.’ 

(Ik zal overal aan je zijde zijn, ik zelf zal je leiden, de liefde leidt mij. Zij moge rozen strooien op de weg, want rozen gaan steeds met doorns samen.) 

In het begin van de vorige eeuw was Erik Satie op zijn eigen manier geïnteresseerd in het fenomeen Rozenkruis. Hij schreef een pianocompositie in drie delen onder de naam: ‘Sonneries de la Rose et Croix’. Iets later neemt de componist Gustav Mahler, die een mateloze bewondering voor Mozart had, in zijn tweede symfonie een lied op dat ‘Urlicht’ heet: 

O Röschen rot!
Der Mensch liegt in größter Not! 

Der Mensch liegt in größter Pein! […]

O rode roos!
De mens ligt in grootste nood! 

De mens lijdt hevige smart! 

Ich bin von Gott und will wieder zu Gott! 
Der liebe Gott wird mir ein Lichtchen geben, 
wird leuchten mir bis an das ewig selig Leben! 

Ik ben van God en wil terug naar God 
De lieve God zal mij een lichtje geven, 
en mij verlichten tot het eeuwig zalig leven!

(Eerste en laatste strofe) 

Het Oosten 

In de derde eeuw van onze jaartelling waren Mani en de manicheeën nadrukkelijk gnostiek-christelijk georiënteerd; zij zagen Jezus als de eniggeboren zoon Gods en tegelijk als ons ware zelf, het Licht-Ik en hij noemde Hem als volmaakte mens de hoogste Roos des Vaders. Toen na eeuwenlang aanwezige activiteit in Oosterse en Noord-Afrikaanse landen deze gnostiek-christelijk gemeenschap door allerlei tegenwerking tenslotte uit het zicht verdween, werd ze via kleinere gnostieke gemeenschappen direct voortgezet in de bewegingen van de paulicianen en de bogomielen, vanuit Klein-Azië en Bulgarije en de aangrenzende Slavische landen, zoals het huidige Bosnië Herzegovina; daar zijn ook nu nog veel stecci of in steen uitgehakte kruizen en kruizen met roosvormen te vinden.

Vervolgens ontstonden in de twaalfde eeuw weer connecties tussen de bogomielen en de hoofdzakelijk in de Pyreneeën aanwezige kathaarse gemeenschappen. Ook daar vinden we nu nog in het landschap en op muren van grotten verscheidene wonderlijke kruizen en kruisvormen die van hun aanwezigheid in het verleden getuigen. Uit Mani’s Lichtschat citeren we: 

Wij overhandigen U heden onze Roos
als een vrucht voortbrengende boom,
opdat zij ons moge worden tot een stralenkrans

die Gij ons op het hoofd mocht plaatsen. 

Verder oostwaarts, in Perzië, Indië en Pakistan treffen we in de twaalfde en dertiende eeuw aan de bekende Perzische soefi-dichters Hafiz en Rumi. 

Hafiz zegt: ‘Dat de wereld voor de Liefde geschapen is, daarvan getuigen de rozen en de nachtegalen’, en een andere Perzische dichter uit die tijd, Mahmoed Shabistari noemde zijn gedichtenbundel De verborgen Rozentuin, waarvan hij zegt: 

Dit boeket geurige bloemen heb ik uit die tuin geplukt
en ik heb het genoemd ‘De verborgen Rozentuin’. 

Daarbinnen bloeien de rozen van de geheimen van het hart 
die je nog niet eerder hebt gehoord.
De tongen van de lelies zingen alle daarbinnen 

en de ogen der narcissen aanschouwen alles, ver en dichtbij.
Kijk stil naar hen allen, met de ogen van je hart, tot al je twijfels wegsmelten. 

De Indiase soefimeester van begin vorige eeuw, Hazrat Inayat Kahn, die tijdens zijn verblijf in Nederland de duinen van Katwijk als een geschikte plek voor een soefi-tempel aanwees, zegt in poëtische taal: 

De roos biedt mij Uw boodschap van liefde. 
Laat mijn hart bloeien in Uw liefde als de Roos. 

Italië 

Dante Alighieri leefde van 1265 tot 1321. In de dertiende eeuw dichtte hij zijn Divina Commedia, waarin veel gnostieke elementen zijn terug te vinden. De Commedia is verdeeld in drie stadia, namelijk: het Inferno (de hel), het Purgatorio (de louteringsberg) en het Paradiso (het koninkrijk der hemelen). In ‘De Universele Gnosis’ geeft J. van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) aan dat Dante kan worden gezien als de worstelende microcosmos die getroffen wordt door de roep van de Gnosis; Virgilius is in die visie zijn dialectische zelf, het naar uitkomst strevende ik, en Beatrice is de nieuwe ziel, de herboren mens. 

In de verhaallijn in Dantes gedicht hoort de Hemelse Roos thuis in het Empyreum, de hoogste hemelsfeer die alle voorgaande sferen omsluit; en het zijn deze tien sferen of dimensies die Dante met Beatrice in het derde stadium doorkruist om tenslotte in de Candida Rosa (de witte roos) het hoogste inzicht deelachtig te worden, de aanblik van de godheid, het visio Dei. 

Voor het echter zover is trekt Dante met Virgilius in een spiralengang door het Inferno en het Purgatorio, en aangekomen op de hoogste top van deze louteringsberg blijft Virgilius achter. Daar ontmoet Dante Beatrice met wie hij zijn reis (ook weer spiraalsgewijs) vervolgt door de negen hemelsferen naar het alomvattende Empyreum. Op weg daarheen komt hij eerst nog in de Marssfeer, waar hij een immens lichtend kruis ziet verschijnen. Langs de balken ervan vindt een druk verkeer van zielen en engelen plaats. Na tenslotte de Hemelse Roos te hebben aanschouwd (op welks kelkbladen achtereenvolgens de transfigurerende zielen opgaan naar steeds grotere heerlijkheden) weet hij zich vanaf dat moment middenin het kosmische beweeg te staan en hij getuigt hiervan met de volgende woorden: 

Wanneer de kleinste trede reeds omspant
zo machtig Licht, hoe breed moet zich dan spreiden het Licht daar in de laatste rozenbladrenrand! Daar is geen dicht of ver, geen neer of op,
want waar God rechtstreeks wil bevelen geven, houdt als vanzelf natuurwet op.
In ’t goud van deze Roos van ’t eeuwig leven,
die trapsgewijs ontluikt en geur verspreidt
trok Beatrijs mij mede… 

De roos was ook een symbool van liefde voor de Fedeli d’Amore (de liefdesgezworenen of de getrouwen der liefde), een groepering van troubadours die in dezelfde tijd actief was in Italië. Die probeerden van binnenuit het universele esoterische christendom in Italië levend te houden en tegelijk een spirituele hervorming door te voeren van kerk en staat. Behalve de roos droegen ze in hun vaandel ook het kruis en de adelaar. 

Zij propageerden ridderlijke ideeën (waaronder hoofse liefde) om de samenleving te verbeteren. Uit de oude Arabische soefi-dichtvormen namen zij het beeld van de Geliefde over, ‘want het zuivere licht van de Ene is teveel om te verdragen.’ Ficino en andere leden van zijn Academie beschouwden hun gedichten als ‘een allerhoogste liefdesverklaring in de zin van Plato’. In een besloten broederschap zochten zij harmonie tussen de menselijke kanten van hun natuur en hun geestelijk en mystiek streven, anders dan de bedelmonniken die al het lagere trachtten te onderdrukken. Hun systeem van innerlijke graden in zes stadia, zien we ook terug in de zes gidsen uit Dante’s Divina Commedia. 

In de Lage Landen was enkele eeuwen erna, in de tijd dat Luther en Calvijn er hun gezag vestigden, ook een dergelijke groepering actief, eveneens werkzaam van binnenuit. Dat was in de zestiende eeuw, ten tijde van Coornhert; en deze organisatie, die opereerde vanuit de Amsterdamse rederijkerskamer d’Egelantier, noemde zich ‘De Broeders in Liefde Bloeyende.’ Nadat Coornhert van de Haarlemse autoriteiten een publicatieverbod had gekregen nodigde zijn vriend Spieghel hem uit om lid te worden van deze Broeders. Andere leden waren toneelschrijvers en dichters zoals Vondel, Hooft en Bredero. 

Deze groep noemde zich geen rozenkruisers, maar what is in a name; ze waren het in wezen wel, getuige hun embleem waarop een zevenbladige rode roos staat afgebeeld met eronder een doornenkruis, waar omheen zowel bijen als spinnen actief zijn — exact hetzelfde embleem dat we iets later tegenkomen bij de Engelsman Robert Fludd (fakkeldrager van het Rozenkruis 6), die zich openlijk rozenkruiser noemde; hij moet dit embleem haast wel van de Broeders in Liefde Bloeyende hebben overgenomen. 

Ook Tobias Hess was met zijn geestverwanten, zoals J.V. Andrea (fakkeldrager van het Rozenkruis 8) in Zuid-Duitsland op de hoogte van het bestaan van deze Amsterdamse groep. Hij bewonderde hun universele visie op het christendom en een aantal typische rozekruiserselementen komen met hun gedachtegoed overeen. Het is niet uitgesloten dat de rederijkers invloed hadden op de werken van de Tübinger Kring; het beviel hen dat hun zienswijze niet alleen letterkundig, maar ook in de vorm van toneel en allegorieën werd uitgedragen. Het was immers een tijd waarin al deze figuren van spirituele adeldom internationaal met elkaar in contact stonden: ze kenden vaak elkaars werken, en figuren zoals Joachim Morsius bezochten hen en hielden zo de verbindingen levend.

Voor hen allen was de symboliek van de roos en het kruis diepzinnig, en wel bekend. In die zin is de conclusie gerechtvaardigd dat achter het verschijnen van esoterische groeperingen of enkelingen zoals Dante, door de eeuwen heen de Orde van het Rozenkruis als onzichtbare inspiratiebron stond en nog staat.

Christus, de Zonnelogos wordt ook wel aangeduid als de Hemelroos en de zeventiende-eeuwse dichter en graveur Jan Luyken, die geïnspireerd was door Jacob Boehme (fakkeldrager van het Rozenkruis 7), noemde Christus de Roos van Saron.

Enkele eeuwen nadien toont Johann Wolfgang von Goethe (fakkeldrager van het Rozenkruis 11) duidelijk aan dat ook hij geïnspireerd is geraakt door de 17e eeuwse Rozekruisers, getuige zijn lange gedicht Die Geheimnisse. We citeren twee coupletten eruit. In couplet 6 en 7 haast de pelgrim Marcus zich naar een schoon gebouw dat hem tegenglanst en waar hij – terwijl hij voor de gesloten poort moet wachten – een raadselachtig beeld aanschouwt. Couplet 8 luidt dan als volgt: 

Dat teken ziet hij voor zich, hoog verheven, 
dat heel de wereld troost en hope reikt,
dat door zijn kracht zo menig hart verrijkt, 

dat zelfs de bitt’re vijand Dood doet beven 
en in strijdbanier veelvuldig prijkt: 
Een bron van lafenis doorstroomt hem weder, 
hij ziet het kruis en slaat zijn ogen neder. 

Couplet 9: 

Hij voelt opnieuw welk heil hier werd ontbonden, 
welk sterk geloof het aan de wereld bracht;
maar fonkelnieuwe zin gaat het verkonden,
zoals het hier verrijst in jonge pracht: 

Hier staat het kruis met rozen dicht omwonden; 
wie heeft aan ’t kruis de rozen toegedacht? 
Verjongend dringt de krans van alle zijden
om het stugge hout van starheid te bevrijden. 

In couplet 33 en 34 wordt Marcus naar een zaal geleid, met hoog oprijzend een machtig kruisgewelf en langs de wanden ziet hij dertien zetels staan. 

Dan luidt couplet 35: 

Daarboven zag hij dertien schilden hangen, 
want één was ied’re zetel toebedeeld.
Geen ijd’le grootsheid nam hem hier gevangen, 

in elk was diep geheim’nis uitgebeeld, 
en broeder Marcus brandde van verlangen
te weten wat zo menig beeld verheelt;
het middelst’teken doet schroomvallig zwijgen; 

hij ziet opnieuw: het kruis met rozentwijgen. 

Ook de Portugese dichter Fernando Pessoa was gefascineerd door de rozekruisersgeschriften, getuige een fragment uit een van zijn gedichten, vrij vertaald uit het Portugees: 

…maar als de ziel haar verkeerde vorm in zich voelt,
die slechts schaduw is,
ziet ze tenslotte het Woord 

dat het Licht van deze wereld is, Menselijk en gezalfd:
De volmaakte Roos, in God gekruisigd. 

In Bulgarije is een streek rond de stad Kazanlak, waar de rivierdalen van de twee rivieren een schitterende Rozenvallei vormen, de Rozova dolina. De vallei is al eeuwen beroemd om haar rozenindustrie; meer dan tachtig procent van alle rozenolie in de wereld komt daar vandaan. Elk jaar worden er festivals gevierd met rozen en rozenolie, en men kende de symbolische kracht van de bloem der bloemen. 

Peter Deunov, de patriarch van de Bulgaarse Witte Broederschap zei eens: ‘Een van de belangrijkste gebeurtenissen in de kosmos is het opengaan van de bloemknop van de ziel; alle hogere wezens van de Goddelijke wereld zien vol verwachting uit naar de bloei van de menselijke ziel.’ Het begin van dat proces van opengaan is een bewustzijnsmoment: 

‘Wanneer het bewustzijn zijn nood ervaart en naar bevrijding zucht en zijn kreet in het onbestemde uitvibreert, dan ontvangt de roos (als symbool van het goddelijke in de mens) als het ware een magnetische schok, waardoor zij als een soort reflex de nagalm van die zielenoodkreet uitzendt naar het sternum (het borstbeen); de kracht van de roos breekt dan een opening in het heiligdom des harten en op dat begin zal de aangeraakte mens dan voortbouwen’, lezen we in het Gedenkschrift gewijd aan Catharose de Petri (fakkeldrager van het Rozenkruis 22). 

In de voortgang van dit proces zal, zoals Antonin Gadal eens schreef: ‘Het zwarte kruis, teken van zonde, boete en dood, veranderen in het witte kruis van Licht, het stralende teken van de Opstanding, waarvan de rozen van de eeuwige liefde neerdalen, levende rozen die welriekend zijn als de mond der engelen.’ 

En een andere trouwe broeder van het Rozenkruis eindigde eens zijn toespraak met: ‘Men zal vragen: heeft Liefde dan geur? Ja, het is de geur der Rozen!’

Bron: Tijdschrift Pentagram 2018 nummer 2

BESTEL PENTAGRAM 2018 NUMMER 2

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *