De leermeester van Gustav Meyrink in ‘De verandering van het bloed’ was Alois Mailänder

BESTEL DE VERANDERING IN HET BLOED, SOFTBACK, € 15,00

BESTEL DE VERANDERING IN HET BLOED, E-BOOK, € 10,00

In zijn autobiografische boek De verandering in het bloed schrijft Gustav Meyrink (1868 – 1932) , een bekende auteur van esoterische romans, ook over de dertien jaar dat hij leerling was van de rozenkruiser J. Recent is ontdekt wie dat was: Alois Mailänder (1843-1905). Deze adept uit Zuid-Duitsland eiste strikte geheimhouding eiste van zijn leerlingen en heeft een aanzienlijke invloed gehad op theosofen die beroemd zijn geworden, onder wie Helena Blavatsky, Rudolf Steiner en Franz Hartmann. Hieronder volgt een gedeelte uit ‘De verandering in het bloed’ die betrekking hebben op de rozenkruiser J (Johannes). Die man was weliswaar gericht op het bevorderen van transfiguratie bij zijn leerlingen, maar de weg die hij onderwees en praktiseerde verschilt in een aantal opzichten van die van de geestesschool van het Gouden Rozenkruis

Wanneer de ontmoeting met professor K. met niets anders was geëindigd dan met de vingerwijzing naar de vrome Jakob Lorber, dan was het nog draaglijk voor me afgelopen. Weliswaar had ik dan later de betekenis van de verschijning van ‘de man zonder hoofd’ waarschijnlijk nooit begrepen, maar een lange lijdensweg zou me bespaard zijn gebleven. Een lijdensweg van dertien volle jaren.

Het verhaal liep zo af: toen K. ’s middags de trein terug naar Dresden was ingestapt, draaide hij zich plotseling om en zei: zowaar één ding en wel het belangrijkste – het schiet me net te binnen – heb ik u vergeten te zeggen: in Wenen woont een man, hij heet X.Y., hij en vele
andere Duitse en ook Engelse voormalige theosofen, zelfs een Indiase brahmaan die Babajee heet, en die destijds de lievelingsleerling van madame Blavatsky was, zijn leerlingen van een
echte rozenkruiser. Die man, een simpele handwerksman net als destijds de beroemde Jacob Boehme, moet ergens in Hessen wonen en de ware yoga kennen en onderrichten die verborgen ten grondslag ligt aan het Nieuwe Testament.

Als een bliksemstraal schoot door me heen: X.Y. in Wenen was al een hele tijd een vriend van me. Bovendien kende ik een zekere Dr. Franz Hartmann (ook die naam had K. genoemd, samen met die van X.Y.) die, zoals ik wist, of liever gezegd zoals ik de theosofen napraatte, tot de meest ingewijden van de in yoga ‘ingewijden’ behoorde. Als hij en X.Y. en nog anderen, wier naam ik hier niet wil noemen, volgelingen van de genoemde rozenkruiser waren, dan had ik eindelijk – overeenkomstig de voorspelling van de ‘inner circle’ van de Theosofische Vereniging – inderdaad de ‘goeroe’ gevonden!

Ik reisde spoorslags naar Wenen en ging bij mijn vriend X.Y. langs. Hij had een gast, een Engelsman, G.R.S. Mead, van wie ik wist dat hij de secretaris was van de Theosofische Vereniging in Adyar in India. Door een teken met de hand gaf hij mij te kennen dat ook hij lid was van de ‘Eastern School’ (de inner circle). Ik zei dat ik kort geleden een bepaalde ervaring had gehad, en vroeg of ik in bijzijn van X.Y. vrijuit kon spreken. Mead knikte. Ik begon eerst over het visioen van de man zonder hoofd te vertellen. Plotseling vroeg Mead of de man misschien van de schouders tot de heup een wit brahmanensnoer had gedragen. Ik antwoordde bevestigend. Of ik de vorm van een knoop in het snoer had opgemerkt? Ik sloot de ogen, riep het beeld van toen weer voor me op, zag onmiddellijk en heel precies de knoop en schetste de vorm van de windingen. Mead stond op, raakte zijn voorhoofd aan en zei: ‘It was the Master’. Ik keek tersluiks in de richting van X.Y.; het leek net of hij een spottende glimlach onderdrukte.

Toen ik daarna begon met het beschrijven van mijn belevenissen met prof. K., werd X.Y. steeds ernstiger. Toen ik de laatste woorden van professor K. aanhaalde over de rozenkruisergoeroe, legde hij snel de vinger op de lippen, waarmee hij aangaf dat ik onmiddellijk moest zwijgen. Ik brak met een paar zinnen mijn verhaal af. Later nam X.Y. me apart en vertelde me dingen over de Theosofische Vereniging die me de haren ten berge deden rijzen. Ik geloofde ze! De ontwijkende antwoorden die Mrs. Besant me had gegeven op mijn schriftelijke vragen over yoga, de gruwelijke kitsch die soms in de theosofische brochures had gestaan – dat alles en nog veel meer sterkte mij in de overtuiging dat alles wat X.Y. me mededeelde juist was.

Daarbij kwam nog, dat ik kort tevoren van William Judge uit New York een brief had ontvangen (Judge gold als een rechtstreeks door de zogenaamde mahatmas in Tibet ingewijde) met als inhoud: de ‘meesters’ erkennen Mrs. Besant op geen enkele manier als presidente van de vereniging en hadden hem uitdrukkelijk volmacht gegeven dit aan de leden van de ‘Eastern School’ mede te delen. Alles wat ik tot dan had geloofd, wankelde onder mijn voeten. Ik doorwaakte de hele nacht met meditatie-oefeningen: geen beeld verscheen om mij een aanwijzing te geven. De ‘vermomde’ leek zijn hand van me te hebben afgetrokken. Professor K. had me – ingeënt, de huiduitslag kwam tevoorschijn: de volgende dag zei ik mijn vriend X.Y. dat ik bereid was de leiding van de ‘rozenkruiser’ (hij vertelde me hoe die heette) te aanvaarden.

Nadat X.Y. mijn woorden tot het einde toe met grote aandacht had aangehoord, liet hij mij een telegram zien dat hij kort tevoren moest hebben ontvangen. De inhoud luidde ongeveer: ik was al een paar dagen geleden (de datum viel samen met de dag van mijn visioen met het anker) door de ‘goeroe’ aangenomen. X.Y. verzekerde me dat deze rozenkruiser helderziend was in geestelijke, soms ook in materiële dingen, en dat ik er vast op kon vertrouwen dat met de ‘nieuwe leerling’ ik en niemand anders werd bedoeld. Vol vreugde schreef ik aan Annie Besant dat ik diegene had gevonden – helemaal volgens de voorspelling die zij mij in het eerste begin had gedaan – die men sub rosa als ‘goeroe’ zou kunnen betitelen. Het antwoord van Mrs. Besant: ’the snakes of Mara are many’ – ik heb het al eerder vermeld – volgde onmiddellijk.

Onmiddellijk ook schoot me de man zonder hoofd te binnen. Wie is die merkwaardige ‘man zonder hoofd’ vroeg ik me af. Een symbool natuurlijk, wat zou het anders kunnen zijn! Maar wat wilde het symbool me zeggen? Onheil aankondigen, dat voelde ik wel. Maar wat heeft zo’n boodschap voor nut, wanneer de weg niet wordt aangewezen, hoe je aan het gevaar kunt ontsnappen? Voor wat wilde de vermomde beschikker van mijn lot me waarschuwen, door mij de verschijning van de brahmaan zonder hoofd voor ogen te toveren?

Ik vroeg het me af, ik vroeg het me af. Kon het antwoord niet vinden! Was de ‘Eastern School’ de man zonder hoofd? Was het de zojuist gevonden rozenkruiser-leidsman? Ik bleef weifelen. Op het doornige pad dat dertien jaar duurde heb ik het me steeds weer afgevraagd. Gevraagd, zonder het antwoord te krijgen, tenminste geen antwoord dat ik wilde hebben: een antwoord, helder, duidelijk en ondubbelzinnig. Ik kreeg wel ‘antwoorden’ maar die waren pythisch: de ene keer zeiden ze het ene en de andere keer het tegenovergestelde. Pas nu, nu dat alles jaren geleden is, weet ik precies wat het beeld van de man met het afgeslagen hoofd te betekenen had. Wie nadenkt, kan zelf gemakkelijk de oplossing vinden. Ik zelf schrik er voor terug, het openlijk en ronduit te zeggen. Uit overwegingen die een ieder zal raden, die aandachtig heeft gelezen wat ik heb geschreven.

Een paar weken later reed ik het dorp in Hessen binnen, waar de rozenkruiser woonde. Vroeger was hij wevergezel geweest, hij kon lezen noch schrijven, had zonderlinge ervaringen opgedaan op spiritistisch gebied, noemde dat een voorbereidende school tot het ware weten, dat enkel en alleen uit het hart komt, wanneer dat begint te spreken. Dit spreken van het hart noemde hij het ‘innerlijke woord’. Het zou mettertijd ontwaken en zou worden verleend door genade in de christelijke zin van het woord. Zijn talrijke volgelingen wees hij de weg daar naar toe, door hen zinnen te laten prevelen die hij door zijn innerlijke stem voor elk persoonlijk ontving.

Door zulk ‘naar binnen prevelen’ zou al snel de spreekvaardigheid van het eigen hart ontwaken en bovendien zou zich een zekere verandering van het lichaam voltrekken totdat, aan het einde van de weg, de leerling zich het opstandingslichaam van Christus eigen zou maken en daarmee het eeuwige leven. Volgens zijn overtuiging betekende het lichaam het begin; daarmee moest men beginnen.

Aan vroomheid in de kerkelijke betekenis hechtte hij geen of weinig waarde, als daar niet die omvorming van het lichaam bij kwam. Als ik niets anders van de man zou hebben geleerd dan de wetenschap dat door yoga het lichaam bij de verandering van de mens betrokken dient te worden, zou ik hem alleen al voor dit inzicht mijn hele leven dank verschuldigd zijn! Het was, zei hij, volstrekt onmogelijk om een dergelijke verandering van het lichaam door verstandelijke kennis en door eigen inspanningen te bereiken. Ook daarin had hij gelijk. ‘Er moet van boven iets worden toegevoegd, dat de verandering tevoorschijn roept’ zo formuleerde hij het. Hij bedoelde met dit ‘van boven’ natuurlijk Jezus Christus, de opgestane Jezus Christus die de dood had overwonnen en die dagelijks om ons heen was. Niet de gekruisigde Jezus. Want wie zich de gekruisigde voortdurend voor ogen haalde, zoals dat door de katholieke monniken en wel speciaal de jezuïeten werd beoefend, en niet de levende, de opgestane: hem werden
‘de beenderen gebroken’ of hij bleef aan het kruis hangen.

Als voorbeeld noemde hij met voorliefde Katharina Emmerich, bekend als gestigmatiseerde. Zijn leer over de verandering van het lichaam was eigenaardig en bijzonder diepzinnig. Ze deed me dikwijls denken aan de gnostici en hun leerstukken. Hij zei: doop, voetwassing, avondmaal en kruisiging, zoals die in hun precieze toedracht in de evangeliën staan opgetekend, dat alles moet letterlijk aan het eigen lichaam worden ervaren, anders blijft het theorie, dat wat men gehoord of gelezen heeft, en dat alleen waarde heeft als christelijke stichtelijkheid.

Van zijn vierenvijftig volgelingen heb ik er velen leren kennen, onder hen was niemand die ik de term van kwezelaar zou kunnen opplakken, met uitzondering misschien van een oude dame. Het waren voornamelijk gecultiveerde, vooraanstaande mensen, een paar eenvoudige handwerkslieden daargelaten. Van ascese of iets dergelijks geen spoor, noch bij de ‘leidsman’ noch bij de een of andere volgeling! Des te merkwaardiger was het dat vrijwel iedereen in de loop van de tijd de ‘gebeurtenissen’ aan zichzelf ervoer die J. – zo noemden we de leider meestal – zo belangrijk achtte. Niet alleen in visioenen of – meestal – in dromen, maar ook aan het lichaam, ondanks het feit dat niemand tevoren wist welke verschijnselen zouden optreden! Het was immers elk van ons streng verboden aan een ander te vertellen wat hij meemaakte – met als argument dat op die manier autosuggestie uitgesloten bleef.

Een dergelijke ‘gebeurtenis’ wil ik hier noemen: die bestond daaruit, dat er letters op de huid verschenen (dermografie noemt de medische wetenschap dat en rekent dit verschijnsel tot de hysterie, natuurlijk zonder te weten wat hysterie in wezen eigenlijk is). Elke letter had een bepaalde betekenis en gaf het ontwikkelingsniveau aan waarop de betreffende leerling zich bevond. Een leek zou nu makkelijk naar de oppervlakkige mening kunnen overhellen dat het hier om waardeloze dweperij of iets dergelijks ging. Zo’n opvatting zou totaal verkeerd zijn! Integendeel: ik moet vaststellen dat de leermethode van deze ‘leidsman’ een innerlijk leven opwekte, zo veelomvattend en waardevol, dat niemand daarvan een indruk kan krijgen die niet bij zichzelf iets vergelijkbaars heeft ervaren.

In die leertijd valt ook de ‘verandering van het bloed’ die me dwong om schrijver te worden. Nog geheel afgezien van veranderingen waarop ik hier niet nader kan ingaan. Het al eerder beschreven ‘openen van de ogen’ op de bank aan de Moldau in Praag veroorzaakte het eerste losser worden van mijn innerlijk. Hier een voorbeeld hoezeer de oefening van het zinnen murmelen op de mens werkt en hoe grondig dat het karakter kan veranderen.

Op een dag kwam Dr. Franz Hartmann, bekend uit de geschiedenis van de Theosofische Vereniging en ook e¤ e¤ n van mijn medeleerlingen, naar de leidsman en vroeg hem om een jonge man als leerling aan te nemen. Deze leek als weinig anderen geschikt om de leer deelachtig te worden. Als een asceet uit de strengste orde en teruggetrokken uit de wereld, leefde hij al jaren als een heilige. De meester dacht een ogenblik na, luisterde kennelijk naar zijn innerlijke stem, en zei toen met grote zekerheid: ‘Je vergischt je Fränzle (de leider was namelijk in de streek Zwaben geboren), de man isch niet oprecht, hij gelooft het alleen maar.’ Dr. Hartmann verzekerde dat hij de jonge man goed kende; de mening dat hij niet oprecht zou zijn, was verkeerd. ‘Dan zal ik hem een oefening geven, zodat je kunt zien hoe het isch gesteld met zijn innerlijk’ was het antwoord.

Een half jaar later trof Hartmann de jonge man in een grote stad. Hij was in een elegante dandy veranderd. Hooglijk verbaasd vroeg hij hem, wat er zo al was gebeurd. ‘Ach’ zei de jonge man met een stralende glimlach ‘nauwelijks had ik een paar dagen de oefening gedaan die u mij in opdracht van die dwaas uit Hessen hebt gegeven, of ik kreeg een soort ingeving en ik heb resoluut de hele mystieke troep overboord gegooid.’ Een paar maanden later stierf hij aan tertiaire syfilis. ‘Zie je: het isch zichtbaar geworden’ merkte J. peinzend op, toen Hartmann hem het voorval meldde ‘jammer dat ik hem niet kon helpen.’

Van de talloze leerlingen die de leidsman had, maakten maar twee zo goed als geen ‘gebeurtenissen’ mee. De een was mijn vriend L., de andere ik. L. is intussen met de rust van een heilige in hoge ouderdom gestorven. Waarom uitgerekend hij, die een gelovig christen was, niets van dat alles ervoer hoewel de leider hem zijn lievelingsleerling noemde, zal me altijd een raadsel blijven. Bij mij is het min of meer verklaarbaar. Want wat voor waanzinnige moeite ik me ook gaf om me in de opvattingen van J. in te leven en in te liegen: van een Saulus ben ik nooit een Paulus geworden.

Dertien jaar lang heb ik dag in dag uit, zonder ook maar één dag over te slaan – hoe vaak schoof ik daarom de belangrijkste handelingen die het dagelijks leven me voorzette niet terzijde! – acht uur lang de mantra’s geoefend: geen enkele ‘gebeurtenis’ te bespeuren. Als ik de leidsman mijn nood klaagde, keek hij me elke keer lang en ernstig aan en zei: ‘Je moet geduld hebben’. Het enige wat ik merkte, was een borende pijn in de handpalmen en voetzolen, zwakke voortekenen van stigmata. Anderen hadden datzelfde veel duidelijker, bij sommigen werden de wondtekenen zichtbaar in de vorm van rode cirkelvormige vlekken. ‘Kruisigingspijn’ noemde de leider dat, een aankondiging van de verandering van het bloed.

Niemand van mijn medeleerlingen ondervond extases. Als dat zou zijn gebeurd, dan had de leidsman daarover zijn scherpste afkeuring uitgesproken. Hoofdzaak was in zijn leer, dat het dagelijks bewustzijn gescherpt moest worden en niet gespleten of verzwakt. En dit ‘in het lichaam blijven’, in tegenstelling tot het ‘uittreden’ zoals dat bijvoorbeeld in de mysteriën van de oude Grieken werd onderwezen, is nog een grondslag, waardevol als geen tweede op de weg van de ware yoga, die deze leider mij heeft ingeprent en als een kleinood voor het hele leven heeft meegegeven. Er bestaat namelijk een bepaalde methode om ‘het lichaam bij levenden lijve te verlaten’ (deze uitdrukking is bij enigszins geschoolde occultisten algemeen bekend, hoewel zo’n gebeurtenis me toch als iets anders dan grof-zintuiglijk schijnt te zijn).

Het geldt zogenaamd als inwijding; in werkelijkheid is het de kwalijkste schizofrenie die men zich kan denken. Het leidt vroeg of laat tot een extreme vorm van mediumschap: een ongeneeslijke splitsing van het bewustzijn. De oude Grieken waren derhalve in hun mysteriën – hoe merkwaardig dat ook moge klinken – niets anders dan slachtoffers van een ziekte. Met uitzondering van diegenen die over het ravijn ‘mijn God, waarom hebt ge mij verlaten’ konden springen.

De leer van deze eenvoudige, in Hessen levende man culmineerde in het volgende: de ziel van de mens leeft niet in het lichaam om dat te verlaten, zoals iemand rechtsomkeert maakt als hij ziet dat hij in een doodlopende steeg is terechtgekomen, maar om de materie – het lichaam – te veranderen! In veel van zijn ervaringen leek hij op de ziener Jacob Boehme die tegenwoordig bij ieder beschaafd mens bekend staat als een zeer bijzonder mens. Hij overtrof hem in menig opzicht als helderziende, maar hij overtrof hem hemelhoog door het al geschetste inzicht dat een ‘de wereld verlaten’ verkeerd is, hoe verheven deze vlucht uit de wereld ook moge schijnen.

Van de zijde van diegenen die geïnteresseerd zijn in de mystiek (natuurlijk zullen alle anderen tot nu toe het gebruikelijke gegrinnik niet eens hebben onderdrukt) zal men tegenwerpen: alle mystici die uit de geschiedenis bekend zijn, zelfs de Boeddha Gautama, hebben geleerd en gepredikt: weg uit de wereld! De Boeddha bijvoorbeeld heeft de wereld het brandende huis genoemd; waarheid, verstand en inzicht gebieden ons het zo snel mogelijk te ontvluchten. Ik weet het, maar alles in mij roept: fout, fout, fout. Er ligt aan hun leer weliswaar een zekere waarheid ten grondslag, maar die kan en, naar mijn overtuiging, die moet zelfs heel anders worden geïnterpreteerd. In ieder geval voor een mens in deze tijd. Ik ben zo vrij in dit opzicht anders te denken dan de verheven voorbeelden uit het verleden. Het verleden is altijd giftig als men het opvat als een dogma.

Ik heb verteld dat van alle leerlingen van de man in Hessen, behalve mijn vriend L., ik de enige was die de verandering van het lichaam niet ervoer in de richting die overeenkwam met de bedoelingen van de ‘leidsman’ en in die tijd ook met mijn eigen bedoelingen. Zijn vertroosting, dat ik geduldig moest wachten, heeft mij dertien jaar lang in de gloed van de
hoop laten smachten. Later, na zijn dood die overigens een dikke streep haalde door de vrome verwachting van hem en zijn volgelingen op het uitkomen van zijn voorspellingen, onthulde L. mij een keer: de leidsman had hem toevertrouwd dat mijn niet kunnen smelten in de gloed van de oefeningen het gevolg was van het feit dat ik in mijn diepste innerlijk een heel ander doel nastreefde dan het door hem onderwezen en gepredikte christelijke ideaal. Hij zag het als zijn opgave om mij op de ‘rechte’ weg te brengen.

Ik was zeer verbaasd toen mijn vriend mij dit overbracht; ik had toch nooit – ook niet met halve zinspelingen – laten merken hoe wezensvreemd mij niet alleen het christendom van de kerk was, maar ook de rozekruis-gnostische leer van de leidsman. En als ik in uren van grote openheid mezelf ondervroeg, bleef dat ook zo. ‘Semitisch bijgeloof’, in die zin heeft Schopenhauer zich een keer uitgelaten, toen hij zijn waardering uitsprak over het boek ‘Oupnekhat’ (inhoud: wijsheden van de vedische Upanishaden). Deze woorden van Schopenhauer werkten, toen ik ze las, al in mijn jonge jaren als bezielende lichtstralen.

Natuurlijk wil ik me, door dit te zeggen, op geen enkele manier denigrerend uitlaten over het christendom. Integendeel, ik ben er van overtuigd dat de wereld er uitnemend zou voorstaan als er meer (echte) christenen waren. Ik wilde alleen maar dit opbiechten: ondanks de vurigste inspanningen is het me nooit gelukt om mij het christelijk geloof eigen te maken, hoewel ik van kindsbeen af daarin werd opgevoed. Voor lauw-warme mensen is zoiets natuurlijk kinderspel.

Ik noemde de dertien jaren waarin ik volgeling van deze leidsman was, een lijdensweg. Zo was het, wis en waarachtig, maar niet alleen in geestelijk opzicht, nee: ook lichamelijk. Het moge vreemd klinken als ik de stelling poneer: oefeningen, niet alleen zoals de hier geschetste, maar alle oefeningen in yoga, of ze nu correct zijn of niet, veranderen niet alleen het bloed, ze veranderen noodgedwongen daarmee ook het uiterlijke levenslot! Natuurlijk: men laat gunstige gelegenheden voorbijgaan enzovoorts, wanneer men dagelijks acht uur lang zinnen in zichzelf prevelt, in plaats van flink de handen uit de mouwen te steken en aan te pakken (en een beetje stevig he’ !). Zoiets doet alleen de totale zot die deze onzin hier schrijft, zal de ‘verlichte’, in dit geval de rationalist, zeggen en zichzelf enorm pienter vinden. Zeker: ook yoga heeft op de lange duur dezelfde uitwerking op de mens, maar degene die alleen de uiterlijke vorm beleeft, heeft het ‘toeval’ toch ook niet in de hand!

Heeft de mensheid werkelijk dingen voortgebracht die blijven? Als dat zo zou zijn, dan moesten er nog gigantische overblijfsels aanwezig zijn uit de oertijd. Tenzij men zich op het standpunt stelt: in die tijd hebben de mensen nog op handen en voeten rondgekropen. De cultuur van een Atlantis is ondergegaan, Egypte is vernietigd, Nineveh in puin gevallen – ook onze scheppingen zullen worden weggevaagd!

BESTEL DE VERANDERING IN HET BLOED, SOFTBACK, € 15,00

BESTEL DE VERANDERING IN HET BLOED, E-BOOK, € 10,00

LEES OVER DE BOVENSTAANDE ROMANS VAN GUSTAV MEYRINK