Boudewijn Koole over Theoscopia door Jacob Böhme, nieuwe Nederlandse vertaling

DOWNLOAD HET GRATIS DEEL VAN THEOSCOPIA (PDF)

LEZING OVER THEOSCOPIA DOOR BOUDEWIJN KOOLE, VERTALER

  • Datum: woensdag 18 december 2019
  • Tijd: 19.30 – 21.30 uur, inloop vanaf 19.00 uur
  • Zaal: Embassy of the Free Mind
  • Adres: Keizersgracht 123, 1015 CJ Amsterdam
  • Toegang: gratis

MEER LEZEN EN AANMELDEN

NAWOORD BIJ THEOSCOPIA DOOR BOUDEWIJN KOOLE

Jacob Böhme schreef het traktaat Theoscopia als een van zijn laatste pennevruchten: met de nieuwe vertaling van de Aurora die vorig jaar verscheen, vormt deze uitgave van de Rozekruis Pers een boog die de eerste en de laatste teksten van Jacob Böhme verbindt en omspant. 

De Duitse tekst die als basis voor de vertaling van het traktaat Theoscopia is gebruikt is die uit de Sämtliche Schriften van 1955vv. uit Stuttgart, een fotografische nadruk van Alle Göttliche Schriften uit 1730 uit Amsterdam, die tot nu toe als standaarduitgave geldt. Alle Theosophische Wercken was de verzameling die Gichtel in 1682 publiceerde, eveneens in Amsterdam. Vergelijking van beide edities toont aan dat de editie van 1730 enkele onregelmatigheden corrigeerde maar geen wezenlijke veranderingen aanbracht; de Duitse grondtekst inclusief vergelijking van beide edities vindt u op www.bk-books.eu (zoek op: grondtekst Theoscopia). 

De betrekkelijk geringe verschillen met de Nederlandse vertaling die Abraham van Beyerland in 1642 publiceerde, beschrijf ik in mijn nieuwe inleiding in de denkbeelden van Böhme, die binnenkort verschijnt bij de Rozekruis Pers en met deze vertaling een geheel vormt. Deze vertaling kunt u eveneens vinden op www.bk-books.eu (zoek op: Theoscopia vertaling Beyerland). 

Wie de titel Christosophia tegenkomt als boek met traktaten van Böhme, dient ervan op de hoogte te zijn dat de Theoscopia geen deel uitmaakt van het in 1624 onder de titel Christosophia verschenen eerste gedrukte boek met drie oorspronkelijke teksten van Jacob Böhme, echter wel van de onder diezelfde overkoepelende titel verzamelde negen traktaten in Alle Göttliche Schriften uit 1730 uit Amsterdam en dus van de Sämtliche Schriften van 1955vv. uit Stuttgart (in deel IV). De door Gerhard Wehr bezorgde uitgave van die traktaten van Böhme waaronder de Theoscopia, noemde hij eveneens Christosophia: Freiburg i.B. (Aurum Verlag) 1975. 

BESTEL THEOSCOPIA

De taal en de systematiek 

Het minst en het meest opvallende aan Böhmes teksten is … zijn taal. Böhme schreef ze allereerst voor zichzelf en voor een kring van geestverwanten en leerlingen op wie hij rekenen kon, en die ze niet zonder meer aan ieder te lezen zouden geven. Hij had immers kort na het bekend worden van zijn eerste manuscript, de Morgenröthe im Aufgang, een schrijfverbod gekregen en had geen belang bij conflicten met een overheid die de kerkelijke orthodoxie te vriend moest houden. Dat schrijfverbod doorbrak hij zelf na een aantal jaren; het werd niet gehandhaafd. Die taal was zo spontaan dat Böhme zelf toelicht dat zij als een fontein in hem opspuit, als innerlijk geschenk. 

Achteraf gezien hanteert hij zoveel uiteenlopende stijlen, en gebruikt zoveel elementen uit allerlei tradities en teksten die hem in de kring van geestverwanten en volgelingen onder ogen kwamen, dat zijn bewering dat hij alles innerlijk aangereikt kreeg, door ons gerelativeerd moet worden: hij nam ook veel elementen over. Zijn stijl is echter vrijwel altijd die van de spontane ingeving; het is belangrijk zijn teksten te lezen als een stroom en vanuit een inspiratie die aan de gang dienen te blijven. 

Voor veel lezers is het hinderlijk om in zijn teksten ook de diepere – filosofische of intellectuele en zelfs ideehistorische – samenhang te lezen. Dat komt door die open stijl die bovendien die van de eenvoudige landstaal is en ook nog eens in een spelling die we gerust persoonlijk kunnen noemen: hij schreef op wat hij zelf aan klanken voortbracht, niet per se een Algemeen Beschaafd Duits (dat als geschreven taal overigens sterk in ontwikkeling was, maar zeker niet Böhmes belangrijkste criterium). 

Hier komt nog bij dat Böhme er zo op gespitst is misverstanden te vermijden dat hij bepaalde betekenissen of de verwoording ervan soms wel driemaal herhaalt in andere vorm. Dit kan enerzijds aanvankelijk tot vermoeienis leiden, maar levert bij de volhardende lezer die met Böhme meedenkt welke misverstanden hij wil vermijden, extra beloning op: door de herhalingen heen wordt ‘volledig’ duidelijk waar Böhme ‘op mikt’ (een ‘hogere’ duidelijkheid die boeiend genoeg niet haaks meer hoeft te staan op de ratio). Wie de diepere ‘systematische’ inzichten van Böhme wilde en wil leren kennen, moest en moet daarvoor inspanning verrichten, zij het dat de Theoscopia als poging in die richting van Böhme zelf een belangrijk hulpmiddel is. 

Deze tekst is zo door en door gericht op het uiteenleggen en verklaren van samenhangen (zij hoort dan ook bij Böhmes afsluitende werken uit het laatst van zijn leven) dat wij hier bijna van een uitzondering mogen spreken: naast veel systematische uitspraken, gedachtengangen en visies in zijn andere teksten is de Theoscopia expliciet een samenvatting van Böhmes inzichten op het laatst van zijn leven. Niet dat hij in andere geschriften niet steeds pogingen in die richting doet, maar dit is zijn centrale onderwerp en dat systematisch uiteengezet. Athans in aanleg, want ook hier heeft hij geen afsluiting gemaakt maar het eind open gelaten, zoals u kunt zien. 

Daarover kunnen we onze gedachten hebben, zoals ik heb aangegeven: mijn conclusie is dat Böhme systematiek erkent zover die evident aanwezig is, daarvoor ook termen gebruikt die in zijn tijd als systematisch konden worden gelezen door die lezers wier systematiek hij gebruikt, dat hij ook volop combineert (vooral alchemie, kabbala) of bekritiseert (zoals bepaalde systematische theologische uitleggingen van de sacramenten), maar uiteindelijk ook consistent meent te kunnen en moeten zijn in zijn eigen opvattingen. Opvattingen die ook hun opmerkelijke plaats in de bredere ideehistorie hebben. 

Als bewust ‘open’ systematicus is Böhme echter vrij in het in eigen context gebruiken van beelden en woorden van anderen en uit andere samenhangende voorstellingen, en tegelijk in het voortdurend wijzen op al dan niet nieuwe samenhangen met eerder door hem genoemde of nieuwe die hij zelf ziet. De openheid is voor hem kennelijk even essentieel als de verwantschap. 

BESTEL THEOSCOPIA

De variatie van Böhmebewonderaars, -afwijzers en -uitleggers 

Niet onvermeld mag blijven dat Böhmes nalatenschap zo omvangrijk en divers is, dat nogal uiteenlopende interpretaties van zijn visies de ronde doen. Zijn teksten zijn divers van karakter, en een interpretatie die zich op alle werken baseert, dan wel die vergelijkt met die van verwante of juist niet verwante auteurs uit zijn tijd, dan wel eerdere en latere tijden, is vrijwel een levenswerk. Erg boeiend is het om te zien dat Böhme niet alleen grote denkers, schrijvers en kunstenaars aanspreekt en sterk beïnvloed heeft, maar juist ook veel ‘eenvoudigen van hart’. 

Hoe betrokken vele latere ‘vrienden van Böhme’ met zijn erfenis aan handschriften bezig zijn geweest, is een intrigerend verhaal dat Govert Bonnie Snoek achterhaalde en opschreef in Handschriften en vrienden van Jacob Böhme. Dat Böhme zoveel registers hanteert, maakte dat diegenen die een deel van zijn werk niet goed begrijpen, al gauw zeggen dat hij erg duister is. Diegenen kunnen zich beter eerst verdiepen in de vele contexten die voor Böhme belangrijk zijn: alle bijbelteksten, alchemie, kabbala, de piëtistische kant van de Reformatie en de mystiek van de Middeleeuwen, de overgang van Middeleeuwen naar ‘Moderne Tijd’, Paracelsus en de andere pansofisten (waaronder de Rozenkruisersgeschriften en Comenius) enzovoort. 

Wie iets steekhoudends over Böhme wil zeggen, doet dat vanuit eigen ervaring en studie, en dient dan idealiter aan te geven waarop hij of zij zich baseert. Wie Böhme vooral wil leren kennen als geestelijk leraar, of hem wil bewonderen om zijn taal of visies, zij er op bedacht dat er ook vele andere soorten Böhme-lezers zijn, niet het minst kunstenaars en filosofen. Waaronder vooral velen die wetenschappelijke kennis niet zo rigoureus losmaken van belevingskennis als (na Böhme) is gepromoot in de ‘moderne tijd’. Iedere lezeres en lezer wordt door Böhme aangesproken, wat niet wil zeggen dat iedereen Böhme onmiddellijk in heel zijn breedte kent. Al is een van de grondgedachten en grondstellingen van hem nu juist dat ieder mens ten diepste met alles en allen verbonden is. 

De vraag blijft dan: hoe? Kenmerkend voor Böhme is dat de samenhang tussen eenvoud en complexiteit of diepgang ook voor hemzelf een fundamenteel vraagstuk is, zowel in persoonlijke als theoretische zin. De ideehistorische context van zijn ‘eenheid van de tegenstellingen’, en de daarmee samenhangende vragen, behandel ik in Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen. Inleiding in het denken van Jacob Böhme. 

Die vragen betreffen het wezen van ‘verlichting’, de grenzen van ons taalgebruik ofwel het de gewone taal overschrijdende karakter van ervaring van heel de tijd en heel de werkelijkheid, en de verhouding tussen de tegendelen of tegengestelde begrippen waarin wij mensen onze werkelijkheid en de ervaring ervan opdelen om ze te kunnen benoemen, terwijl wij tegelijk de eenheid van de (‘totale’) werkelijkheid veronderstellen. 

Hoe kan Böhme ervan uitgaan dat hij de diepste grond ervaren heeft en dat zijn woorden die ervaring opnieuw helpen oproepen? Dit was voor Böhme een existentiële levensvraag, waaraan al zijn werken, ook de Theoscopia, ontsproten. En die vraag riep onmiddellijk de vraag op hoe alles met alles samenhangt en tegelijk verandert, waarom de Theoscopia van al zijn teksten een van de meest systematische is, en zoals we kunnen zien, toch niet minder persoonlijk. 

BESTEL THEOSCOPIA

INHOUD VAN THEOSCOPIA 

I. Wat God is en hoe men zijn goddelijk wezen uit zijn openbaring zou moeten kennen. 

II. Over het innerlijk, de wil en het denken van het menselijke leven, hoe dat zijn oorsprong heeft in de wil van God en hoe het een tegenovergestelde, namelijk een beeld van God is, waarin God wil, werkt en woont. 

III. Over de grond van de natuur. Hoe de natuur een tegenoverstelling van goddelijke kennis is, waardoor de eeuwige ene wil zich via de ongrondelijke, bovennatuurlijke kennis ervaarbaar, zichtbaar, werkzaam, en willend maakt; en wat het Mysterium Magnum [is], hoe alles van, door en in God is: hoe God alle dingen zo nabij is en alles in allen vervult. Een uiterst kostbare poort, om goed in ogenschouw te nemen voor de lezer die God liefheeft. 

IV. Over het in en uit : hoe de eeuwige wil van God zich uit- en in ervaarbaarheid in-, en opnieuw in het een binnenvoert. Opdat men begrijpen kan: met welk doel is het wezen van deze wereld geschapen, en waartoe dient de grond van de schepping? Ook: tot welk doel zijn vreugde en leed openbaar geworden? 

Inleidend nawoord door Boudewijn Koole

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *