1 Zijn en niet-zijn – commentaar op strofe 1 van de Daodejing uit de Chinese Gnosis

 

LEES MEER OVER DE INOOPOCHTEND ‘TOEWIJDING AAN TAO’ OP 23 NOVEMBER

BESTEL DE CHINESE GNOSIS

DOWNLOAD THE CHINESE GNOSIS (FREE PDF)

Hieronder volgen de tekst van strofe 1 van de Daodejing (of Tao Teh King) en het eerste commentaar dat J. van Rijckenborgh (1896-1968) en Catharose de Petri (1902-1990) daarop hebben geschreven in hun boek De Chinese Gnosis.

Kon Tao uitgezegd worden,
het zou de eeuwige Tao niet zijn.
Kon de naam genoemd worden,
het zou de eeuwige naam niet zijn.

Als niet-zijn kan het worden aangeduid
als de grond der alopenbaring.
Als zijn is het de Moeder aller dingen.

Daarom, als het hart voortdurend niet-is
– dat is: vrij van alle aardse gerichtheden en begeerten –
kan men het mysterie aanschouwen
van Tao’s spirituele essence.

Als het hart voortdurend ís
– vol van begeerten en aardse gerichtheid –
kan men alleen begrensde, eindige vormen zien.

Beide, zijn en niet-zijn,
komen uit dezelfde bron voort,
doch hebben verschillende werkingen en doeleinden.
Beide zijn vol van mysterie,
en dit mysterie is de poort des levens.

Tao Teh King, hoofdstuk 1

1 ZIJN EN NIET-ZIJN

De Tao Teh King waarvoor wij u thans mogen plaatsen, kan met recht de Chinese Bijbel worden genoemd. De auteur heeft dezelfde signatuur als alle grote leraren der mensheid. Vele legenden worden van Lao Tse verteld, doch ze steunen op geen enkele historische grond. Daarom willen wij er geen voor u herhalen. Het gehele bestaan van Lao Tse is in nevelen gehuld. Er zijn er die zijn bestaan ontkennen en er zijn er die dat bestaan heftig verdedigen.

Precies dezelfde historie dus als met de Boeddha, Jezus de Heer en Hermes Trismegistus. Wij behoeven daarbij niet stil te staan en aan dergelijke overleggingen geen seconde aandacht te besteden. Wij hebben u slechts te wijzen op het woord van Angelus Silezius: ‘AI werd de Christus duizendmaal in Bethlehem geboren en niet in u, zo waart ge toch verloren’.

De hoofdzaak is, dat wij de Tao Teh King bezitten. En de signatuur daarvan is dusdanig dat wij kunnen zeggen: Het is de Universele Leer van de Universele Broederschap, met onvergelijkelijke liefde aan de mensheid geopenbaard. De openbaarder van deze liefdesstraal wenste niet naar voren te komen. Hij verloor zich in het onpersoonlijke; hij kwam en ging; zijn rijk was niet van deze wereld. Het Woord daalde zeshonderd jaar vóór Christus in China neer, en de brenger van dat Woord trok daarna ‘over de grenzen’; zoals duidelijk is: over de grenzen van de wereld der dialectiek naar het ene Vaderland.

Wij mogen aannemen dat deze heilige taal zeer weinig of in het geheel niet geschonden is. De oorzaak hiervan is dat maar zeer weinigen de Tao Teh King, geschreven in de Chinese taal, hebben kunnen begrijpen. Het werk is compact geschreven, zeer gesluierd, en bestaat uit slechts eenentachtig spreuken of leringen. Deze leringen zijn verdeeld in twee afdelingen: de afdeling Tao en de afdeling Teh. Wij zouden Tao willen omschrijven als ‘het pad van bevrijding‘, Teh als ‘het nut en het gevolg van het pad van bevrijding’, het resultaat. En de toevoeging King duidt aan dat de Tao en de Teh tegelijkertijd de methode tot de bevrijding behelzen.

Wij geven u hierna geen letterlijke vertaling van de Tao Teh King – wij zijn geen sinologen – doch een omschrijving. Overigens moet worden gezegd dat nagenoeg alle sinologen het met elkaar oneens zijn en dat zij geen van allen gelijkluidende vertalingen geven van titel en tekst. Wij volgen bij onze bespreking ongeveer de tekst van Henri Borel, daar wij redenen hebben deze vertaling de betrouwbaarste te achten.

De kennis met betrekking tot de Tao Teh King is in Europa zeer jong, hooguit anderhalve eeuw. In 1823 verscheen in Frankrijk de eerste vertaling en sedertdien zijn er heel wat boeken over het werk geschreven. En nu gaan ook wij u over de Tao Teh King spreken. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat een nieuwe, machtige taoïstische Broederschap in het Oosten aan het oprijzen is. Een Broederschap, een School met dezelfde signatuur en dezelfde doelstellingen als de onze. Een Broederschap die, evenals wij, in december 1951 haar tempel heeft ingewijd, en die, evenals wij, in de Keten van Zeven haar plaats heeft ingenomen. Het ligt voor de hand dat in de nu aangebroken tijd deze gehele zevenvoudige broederschappelijke beweging naar elkaar toe zal groeien. Oost en west, noord en zuid zullen elkaar ontmoeten in de nieuw-ontwaakte kinderen Gods, die elkaar behalve in signatuur ook in innerlijke taal dienen te herkennen.

Daarom dient u de Tao te kennen en te proeven, zoals alle andere wijsheidsleer, zodat u uit de synthese daarvan kunt leven, spreken en handelen, en vrijkomen van het ras, om waarlijk wereldburger te zijn van het universele volk Gods. Deze bespreking moet dus onder andere dienen als voorbereiding voor een ontmoeting tussen allen die uit alle delen der aarde zullen worden bijeenvergaderd. Het gaat dus om een te vervullen taak, waartoe wij ook u hierbij van harte uitnodigen. Breng met ons deze opdracht tot een goed einde!

Wij zeiden u dat zeer weinigen de Tao begrepen en begrijpen. De grootste onzin is over de inhoud verkondigd. Behoren wij nu tot degenen die wél verstaan en die met een bepaalde zelfverzekerdheid zeggen: ‘Wij zullen u de diepe zin ervan wel even uiteenzetten’? Nee, wij willen onze poging ondernemen in de grootste deemoed, daarbij denkend aan de laatste spreuk uit deze Chinese Bijbel: ‘Zij die Tao kennen, zijn niet geleerd; zij die geleerd zijn, kennen Tao niet’ (spreuk 81). Als de ziel maar ontvanke- lijk is voor het nieuwe leven, zullen wij ongetwijfeld verstaan!

Wij laten nu het eerste hoofdstuk van de Tao Teh King nogmaals volgen:

‘Kon Tao uitgezegd worden, het zou de eeuwige Tao niet zijn. Kon de naam genoemd worden, het zou de eeuwige naam niet zijn.

Als niet-zijn kan het worden aangeduid als de grond der alopenbaring. Als zijn is het de Moeder aller dingen.

Daarom, als het hart voortdurend niet-is – dat is: vrij van alle aardse gerichtheden en begeerten – kan men het mysterie aanschouwen van Tao’s spirituele essence. Als het hart voortdurend ís – vol van begeerten en aardse gerichtheid – kan men alleen begrensde, eindige vormen zien.

Beide, zijn en niet-zijn, komen uit dezelfde bron voort, doch zij hebben verschillende werkingen en doeleinden.

Beide zijn vol van mysterie, en dit mysterie is de poort des levens.’

Het eerste hoofdstuk van de Tao Teh King geeft ons de grondtrekken aan van de Universele Leer, die door alle tijden heen onveranderlijk dezelfde is en was. De oergrond aller dingen wordt door Lao Tse Tao genoemd. Men kan dat woord ook een- voudig vertalen door ons woord ‘God’. Of, zoals Johannes het doet (in Johannes 1), door middel van de aanduiding ‘het Woord: ‘In den beginne was het Woord, waartoe alles moet terugkeren’, een stroom dus – een weg – de baan.

Dit Woord, dit Tao, kan niet gezegd worden. Het kan door geen sterveling in volkomenheid omschreven worden. Het kan hoogstens worden aangeduid, min of meer worden benaderd. ‘Niemand heeft ooit God gezien’, zegt Johannes, als een volkomen herhaler van Lao Tse. Zou Tao in volledigheid intellectueel, filosofisch uitgezegd kunnen worden, het zou de eeuwige Tao niet zijn. Slechts wat binnen een dialectische grens gelegen is, kan gezegd worden. Door dit te constateren wordt al onmiddellijk het wezen van de aardse mens, de dialectische mens, begrensd, nadrukkelijk vastgesteld. Niemand heeft ooit God gezien, geen enkele sterveling kan Hem zien, slechts de Zoon, die in het hart van de Vader is, kan Hem verklaren, dat is: uit zichzelf openbaren.

Wie is deze Zoon? Deze Zoon is een historische figuur en tegelijkertijd een actuele, levende werkelijkheid. Deze Zoon is embryonaal het oeratoom, bij velen in het verleden geopenbaard, maar ook in het levende heden. De Zoon is steeds hij die het oeratoom, de roos, het goddelijke zaad, weet te wekken. Zo een zal God ontmoeten; hij nadert alzo de Gnosis, zoals de Gnosis,Tao, hém nadert.

U kent als leerling van de geestesschool van het Gouden Rozenkruis de sleutel tot dit heilsmysterie. Vijfentwintighonderd jaar geleden gaf Lao Tse hem de mensheid al in handen.

‘Als het hart voortdurend niet-is – dat is: vrij van alle aardse gerichtheid en begeerten, – kan men het mysterie aanschouwen van Tao’s spirituele essence.’

Heeft de geestesschool u al niet vele malen gezegd dat wie het hartheiligdom opent voor de stralingskracht van het nieuwe leven, door de spirituele essence getroffen zal worden? Het hart moet in de staat van niet-zijn existeren. Als het is, dan is het gevuld met duizend-en-één zorgen, verlangens en bezigheden van de gewone natuur. Zoals het hoofd voortdurend bewogen wordt door gedachten, zo is het hart barstens vol met allerlei gevoelens en begeerten.

Denken, willen, gevoelen en begeren, zij vormen één der zijden van de aardse lichtdriehoek. En wie kan zeggen terzake van deze zijde de volkomen stilte te zijn ingegaan, de stilte van het niet-zijn, van het niet-doen? Het drukdoen der dialectische bewogenheid, het voortdurend bezig zijn op dit vlak van bewustzijnswerkzaamheid, houdt de werkzaamheid van het oeratoom tegen. Alleen de stilte van het niet-doen, het zich afsluiten voor de dialectiek, baant een weg door de woestijn van het leven. De stilte is de voorloper van Tao’s spirituele essence, zoals Johannes vóór Jezus uit gaat. Door de stilte wordt het oeratoom gewekt uit zijn eonenlange slaap.

Met welk doel, zo vragen wij? Het antwoord luidt: ‘Het nieuwe, het oorspronkelijke leven’. Het pad leidt tot het niet- zijn, én tot het zijn, antwoordt Lao Tse. Het niet-zijn is de grond van de al-openbaring; het zijn is de Moeder aller dingen. Het niet-zijn beduidt niet: niet bestaan, of in het geheel niet zijn, doch het is de absolute, oorspronkelijke toestand, de oorspronkelijke, onsterfelijke heerlijkheid. Het gaat om een nieuw-zijn in die oorspronkelijke staat van het Onbeweeglijk Koninkrijk. Het zijn zoals wij dat kennen is het zijn van dood, leed en tranen. Dat zijn kan zich niet ontwikkelen uit Tao. Daarom is er een oorspronkelijk zijn, voortkomend uit dezelfde bron van het absolute, als het ware niet-zijn.

Deze boodschap richtte Lao Tse enkele duizenden jaren geleden tot de mensheid. Deze boodschap klinkt u zeer bekend in de oren, omdat ze ook nu verkondigd wordt. Uit Tao, uit de Gnosis, ontwikkelt zich een bron, en uit die bron ontspringen het niet-zijn en het zijn. Een eeuwige, onweerstandelijke kracht, waarin het Onbeweeglijk Koninkrijk staat als een rots. En het stil geworden hart ondergaat de siddering van Tao’s spi- rituele essence. Aldus vormt het hart het mysterie van de poort des levens.

Bron: De Chinese Gnosis, door J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf
Inleiding – De verheven wijsheid van Lao Tse

  1. Zijn en niet-zijn
  2. Woe wei
  3. Maak geen ophef van eerwaardigheid
  4. Tao is ledig
  5. De alopenbaring is niet menslievend
  6. De geest van de vallei sterft niet
  7. De macrokosmos duurt eeuwig
  8. Het hart van de wijze is diep als een afgrond
  9. Men moet van de gevulde vaas afblijven
  10. Wie het ik onderwerpt zal met liefde het rijk regeren – De wijze zal in volmaakte rust zijnDe mysterieuze deugd
  11. Er is geen ledige ruimte
  12. Gezicht, gehoor, smaak
  13. Hoge gratie en degradatie zijn dingen van vrees
  14. Kijk naar Tao en ge ziet het niet – De draad van Tao
  15. De vijf eigenschappen van de goede filosofen – De onzuiverheden van het hart
  16. Het opperste ledig
  17. Het volk en zijn vorsten
  18. Toen Tao verwaarloosd werd, kwamen menslievendheid en gerechtigheid
  19. Weg met het weten! – Doe afstand van de dingen
  20. Laat varen uw studie – De wereld is een wildernis geworden – Ik alleen ben anders dan de gewone mensen
  21. Tao in zijn schepping is vaag en verward – Tao, de grote kracht in het midden – De wedergeboorte in Tao
  22. De vier grote mogelijkheden – De wijze maakt zich tot een voorbeeld in de wereld – Het onvolmaakte zal volmaakt worden
  23. Wie weinig spreekt is ‘vanzelf’ – Wie gelijk is aan Tao, verkrijgt Tao – Niet voldoende geloof hebben, is geen geloof hebben
  24. Zelfzucht – De muren van Jericho – Toewijding aan Tao
  25. Godsdienst en theologie – Vóór hemel en aarde bestonden, was er een vaag wezen – De viervoudige wet van Tao
  26. Het zware is de wortel van het lichteDe drie kruisenHet drievoudige meesterschap
  27. Het alleen-goede – Hij die goed gaat, laat geen sporen achter – Hij die goed spreekt, geeft geen reden tot blaam – De wijze munt altijd uit in het helpen van mensen – Dubbel verlicht zijn – Hij die geen waarde hecht aan macht heeft de alwijsheid verkregen
  28. De vallei van het rijk – De altijddurende deugd – De wijze zal het hoofd van de werkers zijn
  29. De heilige offervaas – De weg naar de overwinning – Niemand kan twee heren dienen
  30. Niet met geweld van wapens – De ware goede slaat met vrucht één slag – Vanaf het toppunt van kracht worden de mensen en de dingen oud
  31. De beste wapens zijn instrumenten van onheil – De vergiftiging van het menselijke levensveld – Heb uw vijanden lief – De liefde van de gnostiek-magische mens – Gij zijt het zout der aarde – Het reinigende zout
  32. Hemel en aarde zullen zich verenigen – Het volk zal tot harmonie komen
  33. Hij die zichzelf kent, is verlicht – Hij die zichzelf overwint, is almachtig – Hij die sterft en niet verloren gaat, geniet het eeuwigdurende leven

Bron: De Chinese Gnosis, door J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri

BESTEL DE CHINESE GNOSIS

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN EN E-BOOKS OVER TAO